Oranjegevoel
De bal neemt, de bal geeft. Leve de bal en het machtig legioen! Het individu is niets, de bal alles, en het oranjelegioen haar onstuitbare profeet.
ooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooo
Ik leef nu twee jaar in deze buurt. Buurtgevoel is niet mijn fort. Een redelijk contact met je buren is in beider belang, niet meer, niet minder.
Mijn start was ongunstig. Mijn buurvrouw ter linkerzijde was twee maanden eerder ingetrokken met haar twee dochters, vers gescheiden. Toen de boel een beetje was ingericht, nodigde ik hun uit voor een kennismaking. Misschien wat laat. Met de buren aan de andere kant, een bejaard echtpaar, had ik over de heg heen al contact gehad en was over de vloer geweest. Toen ik aanbelde, zag ik dat mijn buurvrouw tv keek, ’s middags. Ze zat wat onderuitgezakt op de bank. ”Mijn dochter ligt ziek boven, is het goed als we morgen komen?”. Natuurlijk.
Maar ze zijn nooit gekomen. Tot gisteravond was dit ons laatste contact, uitgezonderd mijn afhalen van een bij haar geparkeerd postpakket.
Kleine ergernissen groeien snel, wanneer niet verzoend door geregeld contact. Je mist de buffer.
- Mijn buurvrouw benut zonder overleg een deel van mijn tuin als fietsenstalling. Ze stalt haar fiets en die van haar dochter tegen een struik, respectievelijk mijn muur. Dit begon spoedig nadat ik een forse stronk uit de voortuin weggesleept had, die er nog lag van de vorige bewoner. Mijn dilemma was: ik kan gaan, maar moet het eerste nieuwe contact er meteen weer een met een negatieve insteek zijn?
- Overvliegende ballen en shuttles werden een probleem. Ze werden niet opgehaald. In het begin gooide ik ze terug. Ik nam aan dat de jonge dochter ze kwijtgemaakt had, onopgemerkt door moeder. Maar met het uitblijvend contact, zette ik mijn stekels op. “Ik ben geen boodschappenjongen”.
- Toen kreeg ze een nieuwe vriend, met een zoon en een hond. De kennismaking van de kinderen leidde tot veel onrust. Dat begrijp ik. De hond blaft bij het minste geringste. Als ik me in de tuin begeef, slaat hij aan.
Onderhand werd het zwijgen pijnlijk. Je hoeft bij elkaar niet de deur plat te lopen, maar dit slaat alles. Ik merkte een zekere wrok te blijven koesteren over haar eerste leugen recht in mijn gezicht. Zij was aan zet, vond ik. Daar komt bij, het is haast niet te geloven, dat ze me een aantal keren op straat genegeerd heeft.
Niet alleen pijnlijk, ook gevaarlijk. Ik voelde me in het hokje van zonderling en binnenkort misschien wel zondebok geduwd. Ik ben in een aantal opzichten afwijkend. Ik woon alleen en werk aan huis, op ongeregelde tijden. Ik ontvang betrekkelijk weinig aan huis. Anders dan de buurvrouw en overburen ben ik op mijn privacy gesteld. Ik waardeer mijn achtertuin als plek om een boek te lezen, van het vallen van de avond te genieten of om de vogels. Niet als barbecueplek, werkplaats of plek om een partytent op te zetten.
Afgelopen vrijdag lag een shuttle op het betegelde gedeelte van mijn achtertuin. Niet veel later kwam een gebogen gestalte door mijn tuin aangeslopen. Ik herkende de oudste dochter van de buurvrouw, ongeveer 11 jaar. Ik nam de tuindeur van de haak en sprak haar aan. Ze was verrast dat ik haar voornaam wist. Het was een gok, had ook de naam van haar zusje kunnen zijn. “Ik zou het prettig vinden als je de volgende keer aanbelt als je iets wilt ophalen”.
Ik wees haar op een kleine bal, waarschijnlijk van haar zusje, die door de wind al weken door mijn tuin verplaatst werd. Zowel het meisje als ik waren wat opgelaten.
Het leek me dat ik niet voor Boze Buurman uitgemaakt kon worden – aan de andere kant van de heg, als daar de buurvrouw meeluisterde.
Zondag namen de ontwikkelingen een dramatische wending. De buurvrouw en haar vriend hadden hun tuin op de schop genomen en gedeeltelijk betegeld, ingericht als zitje en barbecueplek. De overburen vierden het succes na afloop mee. Nog wat later, tegen halfacht, vloog een kleine plastic bal over de heg.
Ik was bezig met mijn avondeten. Ik was benieuwd of iemand zou aanbellen. Er gebeurde vooralsnog niets.
Terwijl ik mijn eten opschep, zie ik vanuit een ooghoek een grote gestalte in mijn tuin. Mijn jaloezieën zijn half toe, vanwege de zon. Maar ik neem aan dat ik te zien ben, met de pan in de hand bij het raam. Bovendien staat mijn radio in de keuken aan en die is te horen door de open tuindeur, die op de haak staat. Het is de volwassen dochter van de overbuurman, geregeld bij hem op bezoek. Achteraf vermoed je dat hierover nagedacht is. Ze loopt kalm maar vastberaden op mijn raam af, pakt de bal en trekt zich terug.
Het heeft iets lachwekkends, een kwestie van niets. Tegelijk voel ik me aangerand, nou ja, de voorfase van “een inbreker in je huiskamer”.
Ik bel mensen op. Stel ik me nu vreselijk aan of is dit echt vreemd gedrag, agressief? Is mijn ‘eis’ dat mensen aanbellen nu zo moeilijkdoenerig? Al pratend merk ik, dat het me er eigenlijk om gaat dat er met mij overlegd wordt. Het genegeer begint me te belasten en meer en meer tegen te staan. Kunnen we a.u.b. normaal doen?
Ja, ik wil er enigszins bijhoren. Ik mag geen communicatief wonder zijn, geen ster ook in het openbreken van situaties, in deëscaleren, maar mijn bedoelingen zijn goed. Leven en laten leven. Mag ik ook mijn plekje onder de zon? Maar het lijkt alsof de buren hun saamhorigheidsgevoel aan het versterken zijn over mijn rug. Van hun kant zijn geen initiatieven te verwachten.
De vlag uit
Een eerste gunstig teken is dat dezelfde dochter maandag aanbelt, als al weer een bal over de heg gestuiterd komt. Op dat moment overweeg ik al of ik de bal zal binnenhalen om mensen zo te dwingen bij me aan te bellen – en misschien om ze beteuterd te laten opkijken als ze mijn tuin weer binnengeslopen zijn. Ook merk ik dat ik licht gealarmeerd reageer, alsof die stuiterbal een oorlogsverklaring is, een vijandelijke proefaanval.
Maar de echt onverwachte wending is gisteravond. Gisterochtend zie ik plots een lijn met oranje vlaggetjes over de straat gespannen, van de buurvrouw naar de overzijde. Kijk eens, dit is een straat waarin meer mensen dan dat aparte gezin op de hoek de boel oranje optuigen. Als ik eerlijk ben, oordeel ik daar negatief over: “Volks, Andre Hazes, bier en vals sentiment”.
Maar gisteravond wordt bij me aangebeld. Een nog onbekende buurvrouw staat in de deuropening. Ze heeft een echt vriendelijk voorkomen en verwachtingsvolle ogen. Of ze een draad mogen spannen van een huis naar de berkenboom voor mijn deur. Of ik het niet erg vind, qua uitzicht. Ik hoef niet lang na te denken. Doe maar. Als ik het resultaat zie, blijk ik het verkeerd begrepen te hebben. Ik dacht dat de lijn zou lopen van de overzijde van de straat naar de boom toe. Maar de lijn vertrekt vanaf het huis van mijn linkerbuurvrouw. De onbekende buurvrouw is slim gekozen als contactpersoon.
Maar het geeft niet! De vlaggetjes zien er nu er anders uit! Ik voel me uitgenodigd! Ik mag meedoen! Het is ook mijn oranje.
Nog aparter is dat ik, nadat ik “ja” gezegd heb, plots de linkerbuurvrouw en een andere buurman – die beide vele uren stoppen in het de straat bevlaggen – aan de overzijde zie staan. De buurman knikt en lacht me toe. En ook de buurvrouw zendt me een stralende lach.
Ik moet er nog even van bijkomen. Leve de bal.
Nog geen reacties
Leave a reply
