Woordkunst

Asinus Triumfator
Je door andere kunst laten inspireren heet traditie. Misschien is de beste inspiratie de ongemerkte. Veel kijken, nabootsen, alles in een grote pan - en dan komt er wel wat van. De kunstenaar over wie ik het aanstonds zal hebben, kookt niet. Hij bestudeert ingrediënten. Zijn inspiratie: Animal Farm van George Orwell, zijn taal schatplichtig aan een andere Orwell-klassieker (haha). Ik citeer de bezoekersgids*:

Voor Sonsbeek 2008 bouwt Wilks verder aan Trojan Donkey, een project met zeven stoffen ezels die ieder apart over de hele wereld onderdak vinden bij mensen die elkaar vertrouwen. In de buik van hun gastezel verstoppen ze foto’s van hun ervaringen met hem, die later worden geëxposeerd. In Park Sonsbeek worden zeven ‘nieuwgeboren’ ezels door zeven menselijke figuren van hout op de schouders gedragen. Ze staan in het hertenkamp op een ronddraaiend platform en draaien zelf ook rond. Een van de ezels is goudkleurig. Hij is de kunstezel die na Sonsbeek zal doorreizen naar gastvrije kunstinstellingen. Trojan Donkey is een langzaam groeiend project, dat politieke en territoriale grenzen overschrijdt. Het wijst op het failliet van politieke systemen, maar ook op de bereidheid van individuen om anderen te ondersteunen en een last te dragen.

‘Trojaanse ezel’: Wilks schuwt de humor niet en kookt door de eeuwen heen. Heeft u de subtiele omkeringen opgemerkt? Laat mij u ze toch uitleggen. Deze Trojaanse viervoeter herbergt, anders dan zijn beroemde voorganger, geen plaag maar heilbrengende kunst. Jezus reed op een ezel Jeruzalem binnen, vat u wel of vat u niet? De ezel is een ‘tempel’ als het ware, een mobiele tempel (het voorhang scheurt, ik krijg opnieuw een bijbelse associatie maar laat maar). In plaats van soldaten uit te spuwen, neemt hij foto’s van positieve ervaringen in zijn lichaam op. Zijn evangelie: neem mijn lichaam en verzorg het. Twee grote babyogen laten niemand onberoerd, geen politiek systeem of grenspolitie kan de kracht van medemenselijkheid stoppen. Aldus de theorie.

Ik bekeek de kunstwerken in de volgorde van de wandelroute in de bezoekersgids. Misschien werd mijn reactie op Wilks beïnvloed door het werk er direct voor, dat door vergelijkbare woordkunst werd omlijst:

In Park Sonsbeek heeft Onnen twee ronde tafels in de bomen gehangen, gekanteld met de bladen naar elkaar. Het zijn speeltafels, getuige de rode en zwarte cijfervakjes van het roulettespel die erop zijn aangebracht. Maar tegelijk zijn het zaagbladen, met grote snijtanden rondom. De omschrijving van het werk door de kunstenaar als ‘ronddraaiend, agressief geldgereedschap’ dekt dus aardig de lading [ontdekt de schrijver verrast na afloop? Kom nou, de omschrijving was er eerst, daarna de gidstekst en, voor dit alles: de associaties zijn zo letterlijk, dat een gidstekst overbodig is. "Dirty Harry trekt zijn pistool en schiet Big John neer. Dirty Harry lijkt Big John niet goed gezind"]. In het park is de wind de croupier, die met zijn wisselvallige humeur de rouletteschijven harder of zachter laat draaien, en soms onheilspellend stil houdt [o, de windstille dagen, dat zijn de de ergste!]. Dit kunstwerk, Good Table / Bad Table getiteld, drukt uit dat ons goeie geld, ons hele vermogen, ja al onze vermogens, zich in een handomdraai tegen ons kunnen keren – precies zoals zaagbladen van dit megaformaat in korte tijd het hele park zouden kunnen vellen [we sidderen allemaal].

Terug naar Wilks. Ik bekeek de ezels voor ik de tekst las. Snelle eerste associatie was met Iejoor, de ezel uit Winnie the Poeh. Diens avonturen heb ik nooit gelezen (vast wel enkele gehoord, ik ken hem ergens van), maar de afgebeelde ezel van Shepard, de illustrator van de oorspronkelijke uitgave, heb ik gezien en die spreekt op eigen kracht.

Verder moest ik denken aan het beeld van Nauman in het Stedelijk Museum, de draaiende carrousel met dieren aan een ketting gehangen.

Maar na enig kijken – niet heel aandachtig, ik heb niet opgemerkt dat de draagvormen ‘houten mensen’ waren – schatte ik: protest tegen de bioindustrie, waar met dieren wordt gedaan, gesold. Ik had een ezelhoofd uit een samsonitekoffer zien steken, ‘de natuur wordt in een menselijke maat gedwongen’.

Dit lijken me typisch ezels die rondgaan van de ene mens in het kunstcircuit naar de andere. O wat zijn ze liefdevol voor dit kunstobject en o wat een ‘ervaringen’ hebben ze met het beest. 

Ziet u een stel weigeren de ezel in huis te nemen “omdat wij elkaar te weinig vertrouwen”?

Ben ik te cynisch dat ik bij de gouden ezel denk: dat is typisch zo’n object dat uiteindelijk verkocht wordt en in een museum opgehangen, met documentatie, als herinnering aan het ‘project’? En ‘gouden’ ezel: ironisch – kan ik me bij Wilks niet voorstellen - of ferme overtuigdheid van de kracht van de eigen kunst?

Inmiddels ben ik 1 dag en wat gegoogel verder. Als internetproject spreekt Trojan Donkey me meer aan, of in de variant dat je de foto’s en schrijfsels in de ezelsbuiken zou kunnen bekijken. Sonsbeek laat je wel erg in de kou staan. Je krijgt onvoldoende informatie over het project waarvan de zeven jonge ezels onderdeel zijn. Je zit wat tegen stomme beesten aan te kijken. Nog steeds vind ik de gelegenheidskeuze van Wilks voor Sonsbeek dus zwak: (a) betekenisloze ezels (b) op afstand in een molen; (c) de menselijke dragers van de ezels komen niet uit de verf, wat zou moeten als hoofdintentie van het project het onderzoeken of benadrukken van de menselijke bereidheid tot onbaatzuchtigheid, zorg, medemenselijkheid is.

Ook meer in het algemeen houd ik mijn twijfel over de opbrengst van het project, en op die oogst reken ik de kunstenaar af, hij heeft het concept bedacht:

  • Snelle scan langs de projectwebsite laat vooral ‘fun’ zien. Kinderen verwelkomen alle speelgoedbeesten, dat kan ik nauwelijks serieus nemen.
  • Volwassenen spreekt mogelijk de absurde onderneming om het absurde aan. Maar met stapels De Baak-trainingen** waarin out of the box-doen en -denken carrièrevereiste is geworden, kijk ik hier niet van op. Verbeelding is niet meer voorbehouden aan een kunst- en maatschappijverbeterende subcultuur, en is evenmin een zuiver, natuurlijk vermogen ‘onder de straatstenen’ geconserveerd, hoop van de mensheid. Wilks absurditeit staat ver van Ionesco-wrangheid. Ook kent het cultureel kapitaalkrachtige publiek dit soort gemeenschapskunst inmiddels wel en werkt mee***. In mijn snelle scan van de site zag ik mensen zelfgeschreven verhaaltjes voorlezen en een Turks-Franse vrouw de verhalen van een beroemde Turkse verteller.
  • Als embleem van mantelzorg heeft een mens met een ezel op zijn/haar schouders een zeker appel. Maar Aeneas met zijn vader is dan geschikter want een eenduidiger beeld. En zo’n concrete sociale boodschap lijkt Wilks ook weer niet te willen uitdragen.

Als project vind ik het al met al te dun. Ik neig te concluderen: als je kunst en werkelijkheid vermengt, krijg je niet het beste uit beide werelden. Verbeelding in de politiek: prima. Brengt reëele werken en zegeningen voort! Doe creatief met uw burgerschap! Maar kunst als politiek met andere middelen, nee.

Wat sprak wel aan

  • Yasue Maetake, Levende schat – Het blijkt moeilijk te fotograferen. Ik zag meer de strijder (had dit vooraf ook ergens gelezen). Maar je kunt ook een stervend of al gestorven dier zien, de neerwaarse in plaats van opwaartse beweging. Ik vond de eenvoudige harmonicavorm van het kamerscherm mooi en door zijn openheid verbinding aangaan met de ruimte van het park (om het duur te zeggen). Dit beeld spreekt mij allereerst esthetisch aan, via de zinnelijkheid van de materialen. Maar ook houd ik wel van de heroïsche pose (ja, wel modern ‘vergeefs’, als bij Don Quichotte), zie bijvoorbeeld De Zonnevechter van Arthur Sproncken op de Markt in Haarlem.
  • Joseph Sumegné, De negen notabelen – Dit is een werk op doorreis, waaraan Sumegné al sinds 1988 werkt. Daarom betwijfel ik of de gekozen opstelling meer dan voor de gelegenheid is. Wel past de houding van de twee hoofdfiguren bij de afgebeelde situatie: twee leiders tegenover elkaar, delibererend over geopolitieke zaken (een kaart van de wereld ligt tussen hun in). Maar los van hun tableau overtuigen de notabelen elk afzonderlijk. Bijzonder vind ik dat bij Sumegné niet opvalt dat hij met afvalmaterialen werkt. Ze zijn geen politiek statement over een wegwerpcultuur. Ze zijn allereerst zinnestrelend (ik herhaal me, het is niet mijn stopwoord, maar opnieuw kwaliteit die aanspreekt). Een diepe kleur blauw met een glans, van ‘gewoon’ functioneel plastic, gebruikt om bouwmaterialen af te dekken of zoiets. Matglanzend en plooibaar rubber. Verder zijn de poses van de twee mannen op het podium en de koppen van elk van de notabelen expressief. Dit laatste op een manier dat je je afvraagt of deze beeldtaal universeel is, uitvergroting van de constanten in emotionele gelaatsexpressie die Ekman ontdekte. Tot slot zijn de objecten ‘ambachtelijk’ vervaardigd en rijk aan details. Hoewel niet de hoogste kunstzinnige waarde is het een genot iets te bekijken waaraan met liefde en zorg is gewerkt.
  • Fernando Sánchez Castillo, Spitting Leaders – Ik krijg kennelijk niet snel genoeg van het hekelen van machtsfiguren. Veel politieker dan ‘kapitalistisch-materialistisch zaagblad’-Onnen (welk beeld zou eerder niet in China geëxposeerd kunnen worden?). Dit werk spreekt op een andere manier aan dan dat van Sumegné of Maetake. Het is meer ethisch dan esthetisch, het genot van eindelijk wraak kunnen nemen op personen die je met geweld het zwijgen opgelegd hebben. Het is hetzelfde kijkplezier – of misschien wel dat van de uitvoerders - als vlak na Saddam Hoessein’s nederlaag, het plezier van degenen die met een schoen op diens beeltenis sloegen, aan een touw zijn gehate beeld omvertrokken, meesleepten of erop sprongen. Misschien – als dit niet te psychologiserend is – is ook de aanblik van verbeeld spuwen al prettig, opluchtend. Gooi je walging eruit, slik hem niet in.

*: De gids zaait verwarring. Trojan Donkey en Animal Farm zijn twee onderscheiden projecten. Ze putten niet beide uit Animal Farm, zoals de bezoekersgids suggereert, in de zinnen voorafgaand aan het citaat.

**: De Baak komt bij mij op als voorbeeld van losgeslagen types die de gestripte versie van ‘de ruimte van het volledig leven’ verkopen, van trainers dus. Ik kwam ook letterlijk drie medewerkers van De Baak tegen. Of beter, de vriend met wie ik de tentoonstelling bezocht herkende ze. Hij werkt een klein percentage voor De Baak. Zonder enige introductie spraken drie in het grijs gestoken heren hem aan en vroegen de (bekende) weg naar het centrum. Hij deelde mee collega van de vragensteller te zijn. Haha, enzovoort. De trainingswereld is interessant als ontnuchtering, ontneemt iedere illusie over de macht van de verbeelding. Directeur Harry Starren, naar wat ik van hem weet (en dat is weinig, onder andere via die vriend) in zijn soort een geschikte kerel, heeft zijn eigen karikaturen om zich heen verzameld (de vragensteller leek zelfs uiterlijk en in (quasi-)belhameligheid op hem).

***: dat viel me tot slot op: stapels senioren die zonder enige afschuw de werken langsliepen. Ook hier is gewenning opgetreden. Mijn ongerijmde verklaring: vroeger voelden mensen zich beledigd door ‘onbegrijpelijke’ kunst, alsof de kunstenaars beweerden dat zij ‘te dom’ waren. Die vrees heeft niemand meer. Ook gunt men kunstenaars hun portie gekte (Herman Brood). En het kan heel gezellig zijn af en toe samen helemaal niets van een malle kunstenaar te begrijpen. Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers.
Postscriptum: Tot op zekere hoogte. Ik heb inmiddels vernomen dat het beeld Miss Universe door de kunstenares is gekuist na reacties, aan haar adres en dat van de organisatie. De afgebeelde intieme delen van vrouwen zouden pornografisch zijn, dit laatste als een afkeurende term bedoeld (zie De Gelderlander).

Nog geen reacties

Leave a reply