Macht der gewoonte
Over het uitoefenen van vrijheid.
Ieder mens in enigszins welvarende en vredige omstandigheden overvalt op enig onbewaakt moment: wat een wonder dat er iets is en niet niets. Niet als gedachte maar als woordeloze verbazing. De revelatie duurt kort.
Niets lijkt minder energie te kosten en de logischer optie; iets georganiseerds moet onderhouden. Waartoe die moeite? Waarom niet niets? Zo kunnen mensen die natuurkunde hebben gehad op school deze verbazing verdieping geven, het religieuze karakter aanduiden.
Het is er allemaal maar!
In het Christendom is een tijd gedacht dat God via de natuur tot ons sprak (het boek van de natuur) en dat de boodschap mooi en rechtvaardig was. Toen de bi- ologie verwetenschappelijkte, bleek dit niet houdbaar.
De evolutietheorie, uitgelegd alsof vooruitgang demonstrerend, culminerend in de mens, bood soelaas. Maar de uitleg bleek onjuist.
Daarna troostten sommigen zich met de gedachte dat andere diersoorten econo- misch met geweld omgingen. Roofdieren doodden zwakke exemplaren en vervul- den, in ruimer perspectief, een nuttige functie, zoals bij ons de vuilnisophaal- dienst. Doden om een andere reden dan om voedsel te vergaren kwam niet voor. Als wij nu terugkeerden naar die natuurlijke maat…
En toen bleek moord in het dierenrijk wel voor te komen, geobserveerd door de- zelfde Frans de Waal die recent de mooie kanten van de mens bij primaten be- nadrukt. Mannetjeschimpanzee’s hapten naar elkaars ballen.
Je hebt de moderne biologie niet nodig om in existentiële problemen te geraken. De dood als gegeven blijft menigeen als graat in de keel steken.
Je kunt dan de afslag nemen naar de familie der mensheid, te rade gaan bij een van de door de tijd geheiligde heilsleren. Die leren je dan dat dingen niet zijn wat ze schijnen als je het begrijpt.
Misschien valt de dood ook op zijn plaats als je je rekenschap geeft van ‘de in- zichten van de moderne wetenschap’. Ik betwijfel het, en in elk geval minder makkelijk.
Dit als lange aanloop naar onderstaand bericht in de NRC vandaag.
Parasiet maakt urine van kat aantrekkelijk
Rotterdam. De eencellige parasiet Toxoplasma (veroorzaker van toxoplasmose, een ziekte die ook mensen kan treffen) plant zich alleen voort in de darmen van katten. Maar ook ratten treden op als verspreider. Onderzoekers van Stanford University schreven eind vorige week in PLoS ONE dat de parasiet het gedrag van de rat manipuleert: hij zorgt ervoor dat de besmette rat zich seksueel aange- trokken voelt tot de geur van kattenurine. De rat zoekt daardoor de nabijheid van katten op, en loopt zo een grotere kans om in een kattenmaag te eindigen. Daar- mee is de cirkel voor de parasiet weer rond. De hersenregio die normaal gespro- ken actief is bij seksualiteit, bleek bij besmette ratten juist actief te worden bij het ruiken van de geur van kattenurine. Hoe dat precies komt, is nog onbekend. Wel staat vast dat Toxoplasma zich nestelt in de amygdala van de rat – een her- sengedeelte betrokken bij emotie. (NRC)
Dieper resoneert het thema onvrijheid. Want welbeschouwd herhaalt dit bericht de bekende feiten: dieren eten elkaar op om zichzelf in stand te houden en voort te planten. De geschetste variant oogt minder netjes maar de parasiet is zich van geen kwaad bewust. Er zit weinig berekening achter of het moet van een grote ontwerper zijn.
Maar zelfs religieuzen stelt deze variant niet voor meer problemen dan gewone vormen van sterven. Is de uitvinding of het toestaan van deze variant kwaadaar- diger van God dan het uitvinden of toestaan van sommige ziekten? Misschien zijn sommige gelovigen alleen meer gewend bij de laatste zalvende formules te pre- velen.
Nee, het is de rat die mij schokt. Hij doet vrijwillig iets tegen een vitaal belang in. Hij vertoont een voorkeur die, met een gevaarlijk woord, ‘tegenrattenna- tuurlijk’ is.
Over een aandoenlijke, verhelpbare vis à tergo-variant van onvrijheid schreef ik eerder. Maar wat als het niet te verhelpen is, als je als de spreekwoordelijke lemming de afgrond inloopt?
Een paar weken terug was er dat andere bericht dat ik wilde uitscheuren – over uitstelgedrag. Vroeger konden we het, dankzij allesbezieler Freud, binnen onze vrijheid houden. Het was gemotiveerd en dus, in beginsel, te verhelpen. Maar een nieuw overzichtswerk typecast de slachtoffers in geen der klaarliggende pa- tiëntrollen en maakt van uitstellen een fout in de wetware, een parasiet-module in de hersenen als het ware.
Was het niet? Ik heb het even opgezocht (onderstaande is een citatenmontage):
Dat uitstelgedrag blijft bestaan, zegt Steel met droge ogen, komt niet doordat onbekend is wat we eraan moeten doen, maar doordat mensen het uitstellen om er iets aan te doen.
Jij houdt van de thrill van een deadline? Wil je dat gevoel eerder heb- ben, zodat je meer gedaan krijgt? Dan moet je jezelf deadlines stellen. O, dat lukt niet? Dan waren het geen echte deadlines. Dan moet je er maar eens 1.000 euro op zetten. Dat soort vallen moet je voor jezelf opzetten, zegt Steel, zo kun je je onbewuste aan het werk zetten.
Het limbisch systeem in onze hersenen, legt hij uit, het ‘dierlijke deel’, houdt van concreet, specifiek, direct. En het houdt van ge- woontegedrag – wilskracht kost aandacht en energie, gewoonte niet. Een gewoonte is iets geweldigs. Wat moeilijk is, is om een gewoonte aan te leren.
Hij klinkt allemaal alsof hij zelf zijn leven volledig geregeld en ge- pland heeft. Maar daarop zegt hij bedachtzaam: Je zou kunnen zeggen dat ik meer motivatieproblemen heb dan de gemiddelde mens.
Steel beschrijft hoe procrastinatie onder meer gezondheid, carrière, vriendschappen en relaties kan schaden. En hoe de huidige maatschap- pij gelegenheid geeft voor een procrastinatiepandemie. We doen alsof we betere mensen zijn dan we zijn. Onze maatschappij biedt talloze mogelijkheden voor instant behoeftebevrediging. Je kunt voortdurend jezelf afleiden met YouTube of spelletjes als je eigenlijk moet werken – en dat gebeurt zelfs met werk waar je hart echt in ligt.
In zekere zin, geeft hij toe, is Steel de Allen Carr van de procrastina- tie. En daarin zeer serieus. Zoals hij erover praat, lijkt het alsof hij uitstelgedrag moreel verkeerd vindt. Is dat zo? Nadenkend: veel mis- daad komt wel voort uit impulsief ingaan op verleidingen. En ontrouw ook. Ik wil dat mensen een goed leven hebben, een betekenisvol leven. Niet dat ze ingeplugd zijn op instant geluk. Ik gun mensen dat ze iets in hun leven hebben waarvoor ze willen lijden. Als je leven zin heeft, kan zelfs lijden gelukkig maken. (NRC 26 juli, Ellen de Bruin).
“Wilde ik me er toch weer van afmaken!” eindigde ik deze column eerst gezellig, met die zelfrelativerende humor die het vaak goed doet bij lezers (Koot). Maar dat gevoel van die rat, of van de snoepende Gregor Samsa, voelt eigen. Ik identi- ficeerde me niet voor niets ongevraagd met beide. Het lijkt op de ervaren over- macht, trekkracht van het limbische systeem. Mijn bewuste wil heeft vaak het nakijken - terwijl ik, jazeker, ik ontken niet, nog steeds over het vermogen be- schik een wal op te werpen door routines aan te leren.
Het is zelfs mogelijk dit onderwerp in te passen in de levenskunst van Joep Doh- men (wat wil je nog meer). Discipline is daarvan onderdeel. Doel van levenskunst volgens Dohmen is niet je ‘kern ontdekken’ maar werken aan je karakter (hoewel meer benadrukt in de moderne deugdethiek).
Schrale troost. Ik bedoel dit meer als kleine mis voor het menselijk onvermogen.
