Weinig om het lijf

Over de leegte achter de drukte.  

“Authenticiteit, zeggen zij, is een relatief begrip geworden” – Bas Heijne, 2007, p.107

Bovenstaande uitwisseling kreeg deze week veel aandacht. Ook mij beroerden de beelden, maar om een andere reden dan de nadruk kreeg. Mij raakte vooral wat ik niet zag.

            Geraakt worden door wat je niet ziet bij een eerdere gelegenheid

Afstand/nabijheid en de mediacultuur
Allereerst miste ik trekken van een bekend oud type politicus: de staatsman, type ‘wakende vader’. Drees, Kok en, beoogd, Cohen. Piet Hein Donner kleedt zich als een.

Ivo Opstelten, corporale variant van de vaderlijke staatsman

De ‘wakende vader’ hield afstand, was rustig, geen man van heftige gevoelsuitin- gen. In onze huidige “mediacultuur” doen deze gedragskenmerken het, naar ver- luidt, minder goed bij het publiek. Dat eist emotie, benaderbaarheid.

Dubbelzinnige kwaliteit van de ‘wakende vader’-politicus was diens veronderstel- de zorgzaamheid. Hij waakte. En was hij misschien niet de meest toeschietelijke man, hij stond er als het nodig was. Betrouwbaar. Degelijk. In Nederland: sober. Zorgzaamheid hoeft niet gepaard te gaan met gevoelsexuberantie. Maar zorg- zaamheid is wel dubbelzinnig: wilt u een papa of mama als politicus?

Gevoelsexpressie, zo zuinig aanwezig bij de wakende vader, is wel kenmerk van de mediacultuur, wier ‘logica van het vermaak’ (Dick Pels, Het volk bestaat niet, 2011, p.147) in toenemende mate de politieke verslaggeving beïnvloedt. Buite- nissigheden, provocaties, conflicten, schandalen, competitie en het spel om de macht winnen in de verslaggeving aan belang ten koste van rationele exercities, zoals bijvoorbeeld het onderzoeken van de consequenties van een voorgenomen wetsvoorstel.

“De politiek werd (..) vernederd in de Soundmix Show” (Bas Heijne, Het verloren land, 2003, p.160)

Nu is ons contact met politici vreemd. Vroeger verliep het via affiches, toespra- ken voor grote menigten en later voor de radio. Televisie, gevolgd door internet en sociale media, heeft dit contact veranderd. Het blijft iets imaginairs houden (je kijkt naar een scherm, kunt niets terugzeggen) maar is tegelijk heel direct en indringend. De socioloog Dick Pels gebruikt de term ‘parasociaal’: niet sociaal, niet asociaal, maar ernaast (o.c, p.146), nog het best te vergelijken met de rela- tie tussen een fan en een ster. De politicus op tv beroert zeker ook het hart en de onderbuik (“een meer amusante, emotioneel geladen en intuïtieve verstandhou- ding”, o.c, p.170).

Het maakt politici gewoner dan in de tijd van het optreden in stadion of bierhal:

Hoe men deze ontwikkelingen ook beoordeelt, het is duidelijk dat hier een verlies van aura optreedt, omdat politici niet langer geloofwaardig kunnen poseren als de Grote Leider, maar gewoner moeten overkomen en qua achtergrond en levensstijl dichter bij hun kiezers moeten staan. (..) Politici waren voor de komst van het mediatijdperk gewend om op te treden in grote arena’s, waar zij weidse gebaren moesten maken en een donderend stemgeluid moesten opzetten om door zoveel mogelijk mensen gezien en gehoord te kunnen worden (..). Op tv moet alles spontaan, subtiel en intiem zijn. (Pels, o.c, p.147, 148)

Van Grote Leider naar celebrity. Naast de glamour die een politicus qualitate qua krijgt door met het hoofd op tv te verschijnen, met bonuspunten voor de ongrijp- bare kwaliteit: ’mediageniekheid’, vergt die benaderbare ‘gewoonheid’ onder- houd en inspanning:

‘Ik heb het over authenticiteit. Iedereen moet het op zijn eigen manier doen. Ik besteed er heel veel tijd aan. Jezelf zijn op televisie… authen- tiek. Onze generatie is zo ingesteld op beeld. We prikken er zo door- heen als je jezelf niet bent op tv. M’n grootje, die kon je nog voor de gek houden, maar mij niet meer.’

Doet u het goed op tv? ‘Ik kijk geregeld terug hoe ik het doe. Omdat ik wil zien: wat doe ik goed, wat doe ik fout? Dat analyseren vind ik heel belangrijk. De tv is zo’n beetje de enige manier waarop politici veel mensen bereiken. Ik probeer daar mijn weg in te vinden.’

En? ‘Ik vond mezelf heel verkrampt op 2 april, dat D66-congres dat live werd uitgezonden. Strikt vast aan m’n tekst en aan m’n rol. Maar ja, wat wil je, die spanning… Ik vind het prettiger als ik wat meer tijd heb om mijn verhaal te vertellen. Barend en Van Dorp, dat vind ik prettig.

‘Door de directheid van die drie die tegenover je zitten kan ik meer van mijn verhaal kwijt.’

Wat vindt uw vrouw? ‘O, die is kritisch. Heel kritisch. Maar ze begint tegenwoordig met de positieve punten. Haha. Ik moet er natuurlijk nog achter komen wat werkt en wat niet werkt. Ik krijg in elk geval een heel aardige respons. Ik merk dat mijn zichtbaarheid, mijn herken- baarheid, niet onder doet voor die van collega’s die er al langer zitten. Dan denk ik: nou, de eerste graadmeters zijn goed.’

Aldus Alexander Pechtold (Volkskrant, 9 juli 2005). Pechtold kon zelfverklaard goed uit de voeten met de directheid van Barend en Van Dorp. Tegelijk bena- drukt hij het belang voor een politicus betrouwbaar over te komen:

‘De mensen op straat (..) zijn de kinderen naar school aan het bren- gen, met de hypotheek bezig, met oma in het verpleeghuis. Die weten niet hoe de dingen die ze ‘s avonds even in het journaal zien, passen in ons grote verhaal van wat we aan het doen zijn voor het land.’

Ze willen het niet weten. ‘Nee. Natuurlijk niet. Ze hebben andere prio- riteiten in het leven. Ze hebben hooguit een paar minuten per dag de tijd voor ons. Dus is het zaak in die paar minuten heel duidelijk neer te zetten wat we willen. En dan niet in grote bewegingen met percenta- ges en zo. Nee, vertel het nou eens in twintig seconden NOS -Journaal op een manier zodat iemand die er weinig tijd voor heeft het ook be- grijpt en zich vertegenwoordigd voelt. Dat ze zeggen: die vent zou mijn buurman kunnen zijn. Daar zou ik zo een tweedehands auto van kopen. Heel veel mensen willen helemaal geen verstand hebben van politiek, maar het gevoel: ze belazeren me niet.’ 1

De nadruk op ‘persoonlijke’ ontboezemingen in hedendaagse talkshows (Pauw & Witteman, De Wereld Draait Door) frustreert het decorum en de distantie welke voorheen het uiterlijk kenmerk van betrouwbaarheid waren. Pechtold probeert zijn ‘betrouwbaarheid’ uit te drukken in een meer ‘persoonlijk’ uitingsregister: ‘zichzelf zijn’, bijvoorbeeld niet zo gespannen als op het D66-congres (hoewel dat authentieke gespannenheid was). “Authenticiteit. (..) We prikken er zo doorheen als je jezelf niet bent op tv”.

onderhoud en inspanning: de gespannen echtheid van Alexander Pechtold

Tegelijk blijkt het mogelijk echtheid voor te wenden (“M’n grootje, die kon je nog voor de gek houden”) en eraan te werken (“Ik moet er natuurlijk nog achter komen wat werkt en wat niet werkt”).

Bij nader inzien heeft Pechtold het niet over authenticiteit en betrouwbaarheid maar over authentiek en betrouwbaar overkomen. Pechtold werkt aan zijn ethos.

Pechtold’s voorkeur voor het programma Barend en Van Dorp kan men evenzo retorisch duiden. De directheid en ruimere spreektijd die hij in dat programma waardeert, had hij ook kunnen krijgen bij NOVA, voorloper van Nieuwsuur. Moge- lijk prefereerde Pechtold daarom vooral het element waarin Barend en Van Dorp zich van NOVA onderscheidde: ongedwongenheid – en misschien omdat ongedwon- genheid Pechtold goed afgaat.

Die ongedwongenheid en dat persoonlijke heeft zijn schaduwzijde:

Natuurlijk is het prettig om politici scherp ondervraagd te zien worden op een directe toon, die sinds lang uit de politieke journalistiek ver- dwenen was. (..) Maar al te vaak slaat de scherpe journalistiek om in borreltafelsentiment. Dat lijkt op een potje vrij ouwehoeren over za- ken die iedereen aangaan, maar het onderliggende sentiment is dat al- les wat niet direct is en niet persoonlijk, ook automatisch schijnheilig is. (..) Wat ook maar enigszins abstract wordt, is vanzelf onoprecht. (..) Decorum is verdacht. (Bas Heijne over Barend en Van Dorp, Het verloren land, 2003, p.163)

HardTalk: directe toon zonder borrelnootjes

Henk Bleker: de beroerdste niet

Een politicus die echtheid oefent…verplicht spontaan zijn…communiceren via stijl, uiterlijk en lichaamstaal: het brengt in verwarring. Wat zien we nu precies op het televisiescherm: acteurs of echte mensen? Een goed eerste antwoord is, nogmaals: retorici, mensen bezig, via het gesprek met de tv-presentator of jour- nalist, u te overtuigen.

Zoals Pauw en Witteman een oortje in hebben, hebben politici een oogje op u (2.29 min)

Deels kijken we naar imago’s. Voor BN’ers – en dat zijn politici, vanuit het per- spectief van de mediacultuur – volstaat de voorgespiegelde werkelijkheid van het imago. De door een politicus aangenomen houding hoeft niet ondersteund door overeenkomstige daden of karaktereigenschappen. Het is een ‘boodschap’, on- derdeel van branding, de politicus als “persoonsmerk” (Pels, o.c, p.171):

Uitspraken, lichaamstaal, uiterlijk en accessoires vormen één pakket dat via de beeldbuis wordt aangeprezen en overgedragen. (o.c, p.152)

Zoals kunst ‘de waarheid liegen’ kan, ‘liegt’ een politicus zijn of haar politieke boodschap.

Rita Verdonk belichaamde de zich schrap zettende ‘bedreigde burger‘ die ze niet was.2

Rita Verdonk’s poging een stevige toon te combineren met die van gewone burger in het gedrang.

Voor zover politici een electoraal wenselijk beeld van zichzelf trachten neer te zetten, doen hun politieke tegenstanders alle moeite dat beeld te ontkrachten met een negatief tegenimago. Zij gaan daarin soms ver, zoals in het tot verve- lens toe eenzijdig “framen” van de opponent.

De “flip-flop” / “u draait en bent niet eerlijk”. Dick Pels: “In een machocultuur is alle onzekerheid vrouwelijk” (Een zwak voor Nederland, p.201) 

Pels schetst een spectrum van acterende politici, met aan het ene uiteinde Bal- kenende (weinig vorm, veel inhoud), en aan het andere Verdonk (weinig inhoud, veel vorm). De politieke stijl van Verdonk noemt hij “in feite haar enige pro- grammapunt” (in de strijd met Mark Rutte om het lijsttrekkerschap van de VVD) (o.c, p.175). Kenmerken van die stijl: het hameren op ‘regels zijn regels’, daad- kracht en doorpakken.

Twee andere voorbeelden: de stijl van Wilders is er een “van welbewuste provo- catie, intimidatie en belediging”, diens uitstraling “permanente boosheid en verongelijktheid”, waarbij “zijn berekenende fanatisme de inhoud van zijn boodschap zowel verscherpt als versmalt” (o.c, p.180). Pechtold: “Sterk merkbe- wust, niet vies van ijdelheid en ambitie, en gezegend met een mediamieke bra- voure, (..) er expliciet op uit de politiek persoonlijk te maken” (p.180).

Bas Heijne beschrijft op vergelijkbare wijze, maar tegelijk meer algemeen en beperkt, de kenmerken van de verbale retoriek van rechtse populisten in Europa en de Verenigde Staten:

Politieke uitzinnigheden, brutale uitspraken en hyperbolische veront- waardiging, meestal gedaan vanaf de zijlijn (..). Ze gaan zonder uit- zondering over de ondermijning van de natie door immigratie en de dreiging van de islam – en de jammerlijke ontkenning van die hete hangijzers door de gevestigde politiek. (..)

De incidenten waar de heftige taal mee geïllustreerd worden, lijken (..) tastbaar. Aanleiding vormen altijd concrete gevallen (..). Uitver- groting is meestal selectief, de woordkeus altijd hyperbolisch (..), de problemen dikwijls virtueel (..), maar waar het om gaat, is dat er con- sequent gesproken wordt in een taal die aanvallend en dramatisch is en dicht bij de alledaagse herkenbaarheid lijkt te staan (..) (Moeten wij van elkaar houden, p.56, 57-58)

Ook hier is de invloed van de mediacultuur merkbaar: sommige incidenten ken- nen burger en politicus alleen van de tv (vandaar Heijne’s ‘lijken tastbaar’: “Als het niet uit eigen ervaring is, dan bereiken die gevallen de burger wel via beeld- vorming in de media, waar incidenten met een bepaalde resonans – zoals de over- last van Marokkaanse jongens – uitvergroot worden” (o.c, p. 57-58)).

In deze mix van echt, ‘gelogen echt’ en ‘gelogen gelogen’ gedrag zoekt de burger zijn weg. De mediacultuur en de bijbehorende ‘personalisering’ van de politiek heeft daarbij zijn voordelen, volgens Pels: het bevordert de betrokkenheid van lageropgeleide burgers, die afhaken bij de verstandelijke behandeling van poli- tieke onderwerpen.

Als ingewijden in de codes van de mediacultuur ontwarren zij echt en onecht als de besten:

…schept ruimte voor nieuwe vormen van visuele en emotionele ‘gelet- terdheid’, die burgers in staat stellen om politieke karakters te ‘lezen’ en hun stijl te ‘proeven’, en ze daardoor beter te kunnen beoordelen op hun competentie en authenticiteit (o.c., p.170)

In een situatie van chronische informatie-overload is een algemene in- druk van persoonlijke authenticiteit, betrouwbaarheid en integriteit (of het gebrek hieraan) voldoende voor een adequate beoordeling van poli- tici door burgers. Dat mediagenieke personages steeds meer komen bovendrijven (..) is (..) een logisch gevolg van dit nieuwe stijlbewust- zijn (o.c, p.171)

Een opmerkelijk optimisme over “intuïtieve” verstandhouding met de politicus en dienovereenkomstig proeven van diens ingewanden. Evenzo herkent men langs deze weg denkbeelden:

Politieke mediasterren (..) belichamen bepaalde politieke thema’s in een aantrekkelijke ambiance (..). De identificatie met een politiek idool is ook de herkenning van een politieke idee. (o.c, p.171)

Een tegenovergestelde beleving zette de Amerikaanse filosofe Susan Neiman er- toe zich eind 2004 in het actuele politieke debat te mengen. Het mondde uit in het boek Morele helderheid (2008). Naar haar mening zegevierde in de omstreden overwinning van George Bush op democratisch presidentskandidaat John Kerry beeldvorming over de werkelijke stand van zaken:

Zoals velen op die derde november was ik niet alleen ontzet, maar ook verbijsterd door de claim dat de kiezers George W. Bush hadden geko- zen omdat ze zich ongerust maakten over morele waarden (Morele hel- derheid, p.13)

Wat ons terugbrengt bij de vraag: kan de kijker geacteerde van echte daadkracht onderscheiden? Wint de zwak gebrachte waarheid van de sterk gebrachte leugen?

Evident lijkt dat een sterk mediaoptreden nooit bewijs is voor de juistheid van daarin verkondigde opvattingen.

Cohen als kopjes thee-drinkende slampamper danwel standvastig verdediger van het gezond verstand en bezonnenheid

Pels heeft een grote gevoeligheid voor beïnvloeding van mensen langs andere we- gen dan die van ‘het rationele argument’. Maar in zijn wens de lageropgeleide kiezer op zijn/haar niveau te bereiken (sluipt hier niet een vooroordeel binnen?) lijkt hij zijn kritische reserves even opzij te zetten.

Morele dilemma’s lijken me nooit op te leuken tot het lekkere gevoel van de me- diacultuur. Mediacultuur is het hongerige Afrikaantje-met-gironummer, is her- kenbaarheid, nabijheid en een minstens lauwwarm bad van gezamenlijkheid.

Amuserend debat dreigt menens / sensatie te worden – onbedoeld pleidooi voor de waarde van distantie (en beheersing, als je wilt overtuigen) 

Hier spreekt enige frustratie van mijzelf als vrijwilliger voor Amnesty Internatio- nal. Ik heb enigszins mijn bekomst van het moeten opleuken van mensenrechten- schendingen voor tieners en twens op popfestivals die, cool of uitgelaten maar al- tijd bewust van hoe men overkomen wil op de eventueel toekijkende andere fes- tivalgangers of de vriendengroep, op de foto gaan met een mensenrechtenbord in de hand, eventueel uitgedost met door ons uitgereikte verkleedattributen. Ik heb geen zin me te moeten verontschuldigen voor het lastigvallen met werkelijkheid – en zo voelt het haast.

Tot slot, de oprukkende mediacultuur is geen verklaring voor waarom Rutte geen afstand hield tot Wilders. Rutte stond per slot van rekening in de Tweede Kamer en niet in een televisieshow, zonder presentator en in een formeel format (of er- voer Rutte de Algemene Beschouwingen inmiddels óók als optreden in een live-tv-programma?).

Die gewenste afstand is een functiekenmerk. Als premier had Mark Rutte meer op zijn strepen kunnen en moeten staan dan hij deed toen Wilders hem als persoon aansprak. Maar Rutte leek niet te beseffen dat hij een ambt bekleedde.

Of distantie in het ambt tot het verleden gaat behoren, gegeven de personalise- ring van de politiek, is de vraag (ik denk van niet), evenals hoe dit te beoorde- len. Berlusconi is een mooi voorbeeld om uw mening aan te vormen.

Verinnerlijkte overtuiging
Hoewel geen veelgeziene gast in praatprogramma’s heeft Rutte één kwaliteit die hem daarvoor geschikt maakt: hij praat gemakkelijk. Qua type is hij minder ‘wa- kende’ dan ‘jonge vader’ (vraag: “Hoe combineert u werk en zorg?”), ‘dynami- sche manager’ of ’vlotte jongen’.

Risico is perceptie als adolescent, bij Rutte beeldvorming als ‘vrijgezel/moeders- kind’ of ‘praeses van het corps’ (naar Claudia de Breij), ‘studentikoos’. Daarin laat zich de impliciete norm herkennen dat een politicus autoriteit moet hebben, een eigenschap die ik, net zoals ‘betrouwbaarheid’, eerder met een ‘wakende vader’-politicus dan een studiogast in Hilversum associeer.

 Autoriteit is niet seksegebonden. Converseren op kniehoogte is misschien duide-
 lijk voor ‘de mensen in het land’ maar draagt niet bij aan een indruk van autori-
 teit. Overigens toont de video dat Sap de gevisualiseerde beeldspraak terugver-
 taalt en een Venlose uitsmijter voorbereid had. Het plan mislukt. Wilders wim-
 pelt de aanval gemakkelijk af, Sap durft/wil niet vergelijkbaar ‘goedmoedig op
 de man spelen’ en in de beeldvorming verliest Sap.

Misschien heeft de perceptie als ‘adolescent’ maar een beetje met objectieve ge- gevens als leeftijd, jeugdige motoriek en omgangsvormen te maken. De succes- vol gebleken – niet effectief gecounterde – typering van Wouter Bos als ‘draai- kont‘ door premier Balkenende en anderen in 2008 is bijvoorbeeld georkestreerd door het CDA-campagneteam.3

Ook de tweede kwaliteit die ik miste in het optreden van Mark Rutte kan geor- kestreerd, geveinsd worden: verinnerlijkte overtuiging, gravitas, de ernst van iets belangrijks representeren anders dan je stormachtige zelf of carrièrezelf.

De vaderlijke staatsman in Nederland veinsde dat bijvoorbeeld een beetje. Hij is/was ‘bestuurlijk’ ingesteld, zei men, minder bedreven in en ook afkerig van het politieke straatgevecht. Het suggereerde dat hij zich liever op de inhoud concentreerde, op de lange termijn, het publiek belang. Maar misschien ontliep hij vooral het politieke gevecht, uit angst dat duidelijk zou worden dat achter het vaderlijk voorkomen weinig inhoud school (en weinig vechtersbaas).

Ensceneren van gravitas: 3 oktober 2008, bekendmaking dat de Neder-
landse overheid 100 procent eigenaar is geworden van Fortis Nederland

In zijn uitwisseling met Wilders liet Rutte weinig innerlijke overtuiging zien. Daarop komt het aan in ‘ongescripte’ situaties, zoals dit incident. Nu wreekte zich dat Rutte’s punt, “aap Erdogan”, ongemeend was, ingelast terwille van coali- tiepartner CDA. Als Wilders Rutte zijn momentje had gegund, zoals Wilders er zelf zo vele krijgt/pakt, was er niets aan de hand geweest. Misschien daarom dat Rutte zo “onberoerd” en wezenloos op Wilders reageerde, met een gespiegeld “Doe lekker zélf eens normaal!”.4

Strijdersdeugden
In de discussie over authenticiteit en betrouwbaarheid van politici stuitten we op het spanningsveld tussen overtuigingskunst en echtheid en op de ethische kant van politiek bedrijven.

Dat spanningsveld is verwant aan de strijd tussen de sofisten (leraren in de reto- riek) en filosofen in het oude Griekenland, het verschil tussen debat (als ‘gelijk willen halen’) en (ideaaltypische) dialoog (samen zoeken naar de waarheid).

De filosoof De Boer wijst op de “ethische leegte” van sommige veel gehuldigde waarden, zoals authenticiteit en betrouwbaarheid (door hem ‘integriteit’ ge- noemd). Ze zijn niet ‘humanistisch’ (in evaluatieve zin) maar ‘hoministisch’:

Er kleeft aan alle postulaten in dat opzicht een zekere ethische leegte. Het postulaat van de integriteit houdt in dat men zijn beloften houdt. De politieke geschiedenis laat echter zien dat het zeer gevaarlijk is daar een abstract principe van te maken. Of men een belofte al of niet moet houden, kan nooit beoordeeld worden onder afzien van wat er inhoudelijk beloofd werd. Hetzelfde geldt voor de authenticiteit. Wie stelselmatig volhardt in het kwaad, kan het ver schoppen op het punt van ‘eigenlijkheid’, misschien zelfs een unieke schurk worden. (Theo de Boer, Grondslagen van een kritische psychologie, 1980, p.160)

Zulke waarden eisen een hoger liggende waarde om ze te binden. Ethiek in de politiek is dan zelfbinding: je gelijk niet willen halen tegen elke prijs, jezelf ma- tigen – of soms een belofte breken – vanuit een of meer leidende waarden.

De spanning blijft. ”Politieke meningsverschillen draaien uiteindelijk altijd om de inhoud” meende Frits Bolkestein in 1997, maar retoriek helpt meningsverschillen helder en aansprekend neer te zetten.5

De daarbij optredende overdrijving en polarisatie nam hij voor lief:

Zij [de politici Den Uyl, Van Agt en Wiegel] slaagden erin hun bood- schap helder op media en publiek over te brengen. Zij maakten daarbij gebruik van vaste metaforen die aansloten bij hun politieke visie en denkwijze.

Hij erkende dat beeldspraken verborgen argumenten, emotionele overtui- gingsmiddelen zijn:

Wij leren hieruit dat woorden en beeldspraken niet noodzakelijk de werkelijkheid weerspiegelen, maar veeleer een visie ondersteunen. Taalgebruik moet binnen de smalle marges van de ideologie passen. Die marges beïnvloeden het stilistisch proces van weglaten, vergroten en bijkleuren.

Beeldspraken kunnen uiterst effectief zijn. Wie Europese integratie vergelijkt met fietsen, heeft maar één doel: voorkomen dat het inte- gratieproces tot stilstand komt. Want dan verliezen we ons evenwicht en vallen we om. Dit voorbeeld geeft tegelijk aan dat men zich niet moet laten vangen in het beeld dat de tegenstander oproept. Ikzelf geef er de voorkeur aan de Europese integratie te zien als een eik die langzaam tot volle wasdom komt.

Bolkestein bepleitte betere debatvaardigheden, heldere taal en een zich beperken tot de hoofdlijnen door politici. Dit waren niet louter technische aanbevelingen. Uitvoering vereiste moed:

De ambtelijke werkwijze van de Kamer wordt (..) slechts [doorbroken] door een mentaliteitsverandering bij politici zelf. Die vereist moed. Moed om een heldere en onafhankelijke stelling in het debat te be- trekken. Om ook als regeringspartij geen blad voor de mond te nemen. Om het debat te beperken tot de hoofdlijnen en niet te zwichten voor de terreur van ambtelijke detailkennis. En om helder en begrijpelijk te spreken.

Bolkestein’s eigen debatstijl was stellig en neigde naar het apodictische, “zoals past bij een man die meent de morele waarheid van onze cultuur in zijn binnen- zak te hebben” (Pels, Een zwak voor Nederland, p.207). Volgens sommigen ge- tuigt het van nog meer moed om twijfel in het debat te durven toelaten en open te staan voor de mening van anderen.

Van Doorn besteedt in 2006, anders dan Bolkestein, aandacht aan de mediacultuur en bijkomende ‘personalisering’ van de politiek. Voor het overige deelt hij diens mening: de mediacultuur vraagt om fatsoenlijke én krachtige, onafhankelijke po- litici:

Als de politiek persoonlijk wordt, zijn persoonlijkheden nodig, politici die indruk maken, die gezag en ervaring hebben. Ze moeten een snee over de wang hebben uit een oud duel en ooit het prikken van een mes in de rug hebben gevoeld van een rivaal. Ze mogen niet bangelijk zijn maar, ondanks alle peilingen, aan hun eigen standpunt vasthouden.

Dit zag hij niet overal om zich heen:

De politiek is de enige branche waar men met wat losse kreten aan de slag kan en met enige brutaliteit nog ver kan komen ook.

Hoe hachelijk het beoordelen van mensen is – of hoe vluchtig de politiek - blijkt uit Van Doorn’s oordeel over twee lijsttrekkers:

Twee van de drie grote partijen hebben een voorman in het veld die sinds kort nauwelijks meer geloofwaardig valt te noemen. Wouter Bos heeft het noodlot zelf over zich afgeroepen door te veel gedribbel en gedraai, Mark Rutte kreeg van een prominent partijlid [bedoeld wordt Verdonk] een mes in de rug.

Tot slot situeert ook Van Middelaar de politiek tussen gelijk hebben en gelijk halen. Hij is echter dubbelzinnig over toelaatbare overtuigingsmiddelen:

Politieke dieren kunnen geen heiligen zijn. Wie pretendeert het schip van staat van koers te kunnen doen wijzigen, moet ten minste zijn di- recte omgeving kunnen manipuleren. Het vraagt om gevoel voor recht- vaardigheid, zeker, maar ook om kennis van gedrag, drijfveren en zwaktes van andere mensen. Dat vergt ook ondeugden. Hoogmoed om te denken dat je president of premier kunt worden. IJdelheid om avond aan avond in zaaltjes hetzelfde verhaal te vertellen. Eergevoel om een plaats in de geschiedenisboeken te willen verwerven. (NRC, 4 april 2010).

Bij Van Middelaar heiligt het doel (gevoel voor rechtvaardigheid) soms de midde- len (manipuleren directe omgeving).

Strijdersdeugden, zijn mannetje staan, miste ik als laatste in de aanvaring van Rutte en Wilders. Rutte’s reactie op Wilders toont een man die is ingesteld op beschaafde, redelijke debatingpartners, ’sportief en Brits’. Hij is niet gewapend tegen wat daarvan afwijkt (of heeft weinig te verdedigen).

Psychologie van de kiezer
Betrouwbaarheid, autoriteit en een daarmee gepaard gaand hoog-laag-verschil (eerbied): twee kenmerken van de ‘wakende vader’-politicus die te denken ge- ven. Verraadt het verlangen naar zo’n type politicus niet een kinderlijke be- hoefte aan een beschermer, een papa? Velen, voor wie de politiek en het wereld- gebeuren te ingewikkeld zijn, verlangen er inderdaad naar zich te kunnen verla- ten op iemand die ze vertrouwen. Dat beantwoordt niet aan het ideaal van de zelfsturende, geïnformeerde burger, wel aan de werkelijkheid van veel levens.

adolescent verlangt naar gravitas

Ook de ‘zonen’-politici, de ‘vlotte jongens’ of ‘dynamisch managers’, kunnen in een psychologische dynamiek met hun kiezer verkeren. De relatie lijkt horizonta- ler dan die tussen de ‘wakende vader’ en zijn aanhangers, maar kan de burger bijvoorbeeld verleiden tot de ijdelheid te denken dat hij/zij, samen met de ‘krachtige’ politicus, deel van de oplossing is en anderen het probleem (ze moe- ten bijvoorbeeld “in hun kracht gezet”). Een harde meritocratie ligt op de loer. Ook dat is een vorm van versimpelen van de werkelijkheid.

In Amerika lijken burgers ‘competentie’, een kwaliteit die elementen van ‘auto- riteit’ en ‘betrouwbaarheid’ verenigt, zij het op een beperkt terrein (vergelijk: de specialist) van hun senatoren belangrijk te vinden.

Aldus leert onderzoek. Maar onderzoek leert zoveel. Interessant is vooral hoe deelnemers aan dit onderzoek tot hun oordeel kwamen. Ze bekeken gedurende 1 seconde foto’s van twee kandidaatsenatoren, die werkelijk met elkaar (en moge- lijk een derde) om een senaatszetel van een staat gestreden hadden. 

De senatoren stonden kandidaat voor een andere staat dan waaruit de proef- persoon afkomstig was. Doorgaans zijn uitheemse senatoren onbekend. Na een seconde bekijken van de foto’s beantwoordden de deelnemers vragen als: wie van de twee is het meest intelligent, het meest competent, het meest sociaal?

Zeventig procent van de kandidaten die, op basis van een fotoscan van 1 secon- de, gemiddeld als meest competent waren ingeschat, hadden hun senatorsver- kiezing daadwerkelijk gewonnen (Ab Dijksterhuis, Het slimme onbewuste, 2007, p.85-89). Het onderzoek roept vele vragen op – bijvoorbeeld of men niet op zoek is naar een prototype van ‘de wakende vader’. Voor mijn doel volstaat sensitief te maken voor processen die onder de oppervlakte spelen.

 foto en grafiek uit artikel over genoemd onderzoek

De psychologie van nationalisme
Een vergelijkbaar verlangen naar geborgenheid als waarop de ‘wakende vader’-politicus inspeelt, is werkzaam in sommig nationalisme. Dick Pels duidt de uit- vinding van nationalisme in de negentiende eeuw als een reactie op de ont- wrichting van bestaande, kleinschaliger verhoudingen door de industrialisering. De ‘natie’ moest een nieuw thuis bieden:

De metafoor van nationale verwantschap tilt het familie-sentiment (intimiteit, geborgenheid, veiligheid, identiteit) naar het abstracte niveau van een meer omvattende sociale eenheid. (..) Kritischer op- gevat, kan het nationalisme dus worden beschouwd als een krampach- tige poging om het familiegevoel vast te houden in een samenleving van losser wordende traditionele verbanden (Een zwak voor Nederland, 2005, p.103, p.104)

Ik betwijfel of ‘nationalisme’ ooit ‘authentiek’ kan zijn, de geborgenheid kan geven van een gezin (als het werkt), de gehechtheden van een goede vriendschap (als beide hem diepgang geven). ‘Authentiek’ lijkt me ook ongeschikt woord voor de materie waarover we het hebben. Je kunt gehecht zijn aan onze polders of je verwant voelen met en, wie weet, een beetje trots zijn op de democratie die in Nederland al vroeg vorm kreeg in de waterschappen. Maar wie zou een ander ooit zijn of haar gehechtheden of opvattingen willen opleggen?

Opvattingen over de Nederlandse identiteit zijn theoretische constructies. Som- mige hebben het historisch gelijk wellicht meer aan hun zijde dan andere. Maar men belast de discussie over nationale identiteit door de eigen opvatting ‘au- thentiek Nederlands’ te noemen. Dat is op zijn ergerlijkst een poging de discus- sie te beslechten met een machtswoord.

Toch doen sommige nationalisten dit. Ze betichten hun opponenten (impliciet) van landverraad (zelfhaat, enz). Pels oordeelt zulk nationalisme “regressie naar de valse zekerheden van een substituutfamilie” (p.122) of ’nationaal-fundamen- talisme’ (o.c, p.102), “inclusief de bijbehorende externe vijand” (p.106).

Pels keert het om en acht zulke sterke nationalisten zelf onwaarachtig: niet ten opzichte van de natie maar intellectueel (mijn oordeel) – door het debat over de eigen opvattingen te ontlopen - en in meer persoonlijke zin: sterk ’nationaal’ gevoel overdekt een feitelijk gebrek aan verbondenheid. Pels spreekt in dit verband van een “reactieve leegte”, een nationalisme van “wij zijn niet wat zij zijn” (p.124).

Voor Pels is ook het recente nationalisme ‘reflex’ op ontwrichtende maatschappe- lijke ontwikkelingen, nu niet langer de industrialisering maar de algehele ver- snelling, het vloeibaar worden van wat vast scheen. Dit maakt een existentiële onzekerheid bij sommige mensen wakker, duid ik zijn analyse:

Niet iedereen voelt zich thuis in een ambigue, complexe, beweeglijke wereld. De ‘postmoderne conditie’ kent vele verliezers, die door deze vluchtigheid gedesoriënteerd raken, en die zich voelen aangetrokken tot familiale, nationale en religieuze mythen die de hoop op psycholo- gische en culturele heelheid levend houden  (o.c. p.118)

Pels verwijst hier mijns inziens minder naar ‘verliezers van de globalisering’ dan naar de eenzaamheid van de menselijke existentie, bij hem gepsychologiseerd tot een genetisch bepaald (on)vermogen met complexiteit, veelheid en verander- lijkheid om te gaan (wat er weer meer een dysfunctie van maakt):

Een van de belangrijkste verschillen [tussen mensen] is de mate waarin zij in staat en bereid zijn om onzekerheid en twijfel toe te laten, hun oordeel op te schorten in plaats van stellig te hameren op hun eigen gelijk. Het zou weleens kunnen zijn dat dit existentiële verschil (in het vermogen om verschillen te tolereren) ten grondslag ligt aan allerlei andere tegenstellingen. Eerder dan om denkstijlen gaat het hier om basale levenshoudingen (o.c, p.200)

Naast deze genetische verklaring geeft Pels nog twee andere ‘psychologische’ en deels sociologische verklaringen:

  1. Nationalisme is een uitkomst voor verliezers van de meritocratie (succes en verlies volledig de verantwoordelijkheid van het individu): “Nationalisme is een goedkope manier om zelfrespect te verdienen en onbehagen te compen- seren, onafhankelijk van verdienste: je kunt je beter voelen dan anderen zonder hard werken of talent te bezitten. Het geeft een nieuwe geborgen- heid” (Het volk bestaat niet, p.50)
  2. Nationalisme is het hedendaagse consumentisme opgeblazen tot natieschaal, een vreemde hybride van een beperkte liberale vrijheidsgedachte, consu- mentisme, nativisme, conservatieve sentimenten en een gevoel van be- dreigde welvaart, samen te vatten in de strijdkreet: samen voor ons eigen (o.c, p.35, 40-44).
  • De natie als los samenstel van individualisten: beperkte liberale vrijheidsgedachte
  • Het vorige uitvergroot tot de natie. Men schaart zich – bij gebrek aan een andere gemene deler – om een gedeelde vijand: de vreemde, soms: de volksvreemde elite. De eis: “baas in eigen land” en “eigen volk eerst”.
  • Consumentisme: klant is koning. Sterk verzet tegen binding door anderen. Men geeft anderen – autoriteiten, politie, buren – niet het recht aan te spreken op het eigen gedrag (“Waar bemoei je je mee”).
  • Nativisme: de aanname, tevens eis, dat naties bewoond worden door een homogeen samengestelde groep, de “autochtonen”. Vreemde elementen – zowel vreemde mensen als vreemde ideeën – zijn per definitie bedreigend
  • Overreactie op de bedreiging van eigen beginnende welvaart (dit is ook deel van de analyse van Van Reybrouck in Pleidooi voor po- pulisme, 2008)
  • Een – mischien genetische, misschien reactieve – voorkeur voor strengheid en autoritarisme (arbeid als plicht, loon naar werken). In de creatieve mix kenmerkend voor dit type nationalisme wordt de ‘hardwerkende Nederlander’ afgezet tegen de ‘uitkeringtrek- kende migrant’.

Het leidt tot een bij aanvang tot falen gedoemd, want op drijfzand gebouwd
” ‘volks individualisme’ dat sterk wordt verankerd in het consumentisme en de nationale identiteit” (o.c, p.43), tot een vorm van:

‘welvaartchauvinisme’ waarin de bescherming van de nationale eco- nomie, van inheemse ondernemers en de eigen arbeiders centraal staat: eigen werk, eigen markt, eigen welvaart, eigen pensioenen, eigen uitkeringen eerst! (o.c, p.39)

Pels vindt deze verklaring een vooruitgang in vergelijking met die waarin het he- dendaags populisme en nationalisme wordt weggezet als ‘puur’ negatieve rancu- nebeweging, d.w.z: zonder ideeën. Maar feit blijft dat in de samenstellende ‘i- deeën’ de schuld voor wat niet goed gaat steevast bij anderen/vreemdelingen wordt gelegd. Het was goed, tot de ander/het vreemde de boel kwam verpesten.

Zoals hier gepresenteerd, met ingebakken verongelijktheid, kan iemand onmoge- lijk claimen “authentiek” van zijn/haar natie te houden. Pels gelooft nog wel in een gematigd nationalisme:

Nationalisme beantwoordt aan het zeer reële en authentieke verlangen van mensen om ergens bij te horen, om deel uit te maken van de cul- turele intimiteit van een gelijkgezinde groep of gemeenschap (Een zwak voor Nederland, p.117).

Schrap je het mijns inziens overbodige ‘reëel’ en ‘authentiek’, dan zegt Pels niet meer of minder dan dat de mens een sociaal dier is, met een ingebouwde behoef- te aan geborgenheid.

Psychologie van de niet-rancuneuze groepsidentiteit
Ook Bas Heijne schenkt, in zijn essay Moeten wij van elkaar houden, aandacht aan rancuneuze varianten van eigenheid/groepsidentiteit. Net zoals Pels ziet hij ontwrichtende maatschappelijke veranderingen als oorzaak.6 En ook Heijne vindt, net zoals Pels, het verlangen naar saamhorigheid, naar een thuis, natuurlijk en oordeelt consumentisme (vaak door betrokkene onbesefte) belemmerende factor.

De natie als thuis heeft niets ‘natuurlijks’. Pels onderstreept de hachelijkheid van het nationaal saamhorigheidsgevoel door erop te wijzen dat in onze tijd vooral de televisie een ‘natiestichtend’ apparaat is (de vakterm voor deze werking is ‘per- formativiteit’, het verschijnsel dat een term de zaak die het benoemt mede cre- eert). Soms gaat dat subtiel, zoals wanneer het weerbericht het weer stilzwijgend begrenst tot ‘ons’ land, maar het is een omvattend fenomeen:

Nederland is elke dag virtueel bijeen, voor de buis, tijdens nieuws- uitzendingen en praatprogramma’s maar vooral tijdens het eeuwig- durend amusement. Grote sportevenementen (de wedstrijden van het nationale elftal, EK’s en WK’s, de Olympisch Spelen), herdenkings- en rouwplechtigheden (Koninginnedag, Prinsjesdag, de vierde mei, de be- grafenissen van Pim, Claus, André, Bernhard en Theo) verenigen een groot deel van de burgers in een nationale kijkervaring. (..) De Neder- landse natie blijft al met al een precaire aangelegenheid. Als mensen zouden stoppen met deze dagelijkse investeringen, zou zij ophouden te bestaan (Een zwak voor Nederland, p.115)

Consumentisme frustreert een van de historische kenmerken van veel populis- tische stromingen: het verlangen naar een sterke leider. Heijne doet het he- dendaags verlangen naar politiek leiderschap af als schijn, oppervlaktefeno- meen. Leiders zijn vooral figuren die anderen eens zouden moeten volgen, degenen die de consumentburger dwarsbomen.

Achter de ogenschijnlijke behoefte aan leiders gaat volgens Heijne een ge- frustreerd verlangen naar verbinding schuil. We hebben onszelf in de nesten gewerkt. We aanvaarden geen tegenspraak meer, ook niet door zelfgekozen leiders. We zijn dolgedraaide individualisten, die onszelf de norm van alles verklaren en niet aan realiteitstoetsing doen. Heijne’s hoofdargument: de vele enquêtes naar leiderschap.7

Heijne’s “wij” is hier nogal onbepaald. In een eerdere column beperkt hij zich tot sympathisanten van Pim Fortuyn. De boodschap is eender: zij aanvaarden geen leiderschap en zijn gemankeerd individualist. Fortuyn belichaamt hun gespleten- heid: hij werd verwelkomd als brenger van negatieve vrijheid (vrijheid van be- moeienis door de elite) maar vervolgens blijkt men de ‘gewonnen’ vrijheid graag uit handen te geven, het eigen leven niet ter hand te kunnen nemen, gemakke- lijk te vangen consument als men is:

In een massacultuur willen mensen de macht over zichzelf hebben en tegelijkertijd geleid worden. De consument eist de vrijheid op om zich te conformeren. Fortuyn was de leider die het volk de macht terug zou geven én hij was Mozes die zijn volk naar de vrijheid zou leiden. Dat is een onmogelijke spagaat (..). Je vindt hem (..) niet alleen bij de Nieu- we Politiek, maar overal. (Het verloren land, p.182-183)

De goede verstaander herkent de dynamiek van de rancune: slechts beleving van een gevoel van vrijheid in het verzet tegen een vermeende dwingeland, leeg zo- dra op eigen benen.

Populistische politici bevredigen volgens Heijne (ook) een (late nageboorte van het) irrationele verlangen naar een “zuivere gemeenschap”. Heijne noemt Pim Fortuyn een late schijngestalte van het type “heroïsche buitenstaander” dat deze effecten bewerkstelligt. 

Afgezien van het feit dat dit “irrationele” motief, zoals we in het vorige citaat zagen, moet concurreren met het verlangen te willen shoppen (conformistische consument), bevreemdt Heijne’s redenering ook om een andere reden. Op het moment dat hij Fortuyn in zijn betoog introduceert, heeft Heijne al het type “he- roïsche buitenstaander” ondermijnd. Nuchterder bekeken vervullen ook heroï- sche buitenstaanders volgens Heijne de volgende functie:

“Een groep of samenleving raakt op een gegeven moment altijd op- gesloten in zichzelf en heeft een buitenstaander nodig om vernieu- wing te bewerkstelligen” (Moeten wij van elkaar houden, p.90).

Ook blijkt de “heroïsche buitenstaander”-rol niet noodzakelijk om de bijzondere verlangens op te wekken welke Fortuyn opwekte:

Afgezien van Pim Fortuyn zijn er niet veel populistische leiders die zichzelf vandaag de dag met Mozes zullen vergelijken. Liever presen- teert men zichzelf als de zuivere essentie van de gewone man (..) (p.99).

De “gewone man”, wiens “essentie” stem gegeven wordt door populistische poli- tici (we noemden eerder het voorbeeld van Verdonk), lijkt vooral te willen worden gezien, erkend (“Men wil weer gezien worden”, p.115). Dit verlangen lijkt me minder een verlangen naar nationale dan naar lageropgeleiden-eigenheid.

En die eigenheid blijkt in de praktijk toch weer rancuneus:

Wat Fortuyn heeft losgemaakt, ging juist in alle opzichten aan de poli- tiek voorbij. Hij was de man die alles goed zou maken [fantasiefiguur dus; Age]. (..) Existentiële ongenoegen. (..) Als er niets meer is om in te geloven of naar te streven, is er altijd je eigen woede nog. (..) Een maatschappij zonder ideële samenhang, waarin iedereen voortdurend bang is dat hem de kaas van het brood wordt gegeten. (..)

Wat Fortuyn (..) plotseling deed samenvallen met de tijdgeest, was zijn gedachte dat de Nederlandse samenleving verweesd is. Dat is een notie die iedere politieke realiteit overstijgt, die aan het religieuze raakt. (..) Hij wierp zich op als verlosser, maar in zuiver wereldse termen. Wat hem werkelijk gevaarlijk maakte, (..) was zijn instinc- tieve talent om in te spelen op de behoefte aan onvrede in naam van de behoefte aan geloof (Het verloren land, p.175-176)

Toch veronderstelt Heijne iets diepers achter de rancune. Dat suggereert het ‘religieuze’ in het voorgaande citaat al maar spreekt Heijne ook openlijk uit:

Uiteindelijk gaat het de meeeste mensen ergens anders om. Het is alsof je iemand die zichtbaar in psychische nood verkeert, wilt helpen door hem een pleister aan te bieden (Moeten wij van elkaar houden , p.115)

Maar Heijne blijkt niet in staat deze “wezenlijke behoeftes” (p.97) overtuigend gestalte te geven. Hij voert Sarah Palin op. In haar reallife-soap Sarah Palin’s Alaska zou het neerschieten en slachten van een kariboe, voorbij het ensceneren van “mannelijkheid”, van het “aardse, harde, simpele leven” en van de veronge- lijkte emotie “Geef ons ons land terug” (p.83-84), dus op het diepteniveau van “wezenlijke behoeften”, beduiden:

Doodschieten is lekker (..). Tussen een mens en zijn natuur stond het softe idealisme van de Verlichting (..). Om onszelf te hervinden moe- ten we terug naar die natuur waar gedood wordt om te overleven – ach, laten we er eerlijk voor uitkomen, waar je dood om te voelen dat je leeft (o.c., p.128-129).

Ook hier rancune in plaats van “positieve irrationaliteit”, “binding”/herkerste- ning. Wie doodschieten van een dier nodig heeft om te voelen dat hij leeft, is als de nationalist die zonder vijand geen natiegevoel heeft.

Zie ik luidruchtig overschreeuwen van een ‘angst voor de vrijheid’, om het te zeggen in termen van het gesmade humanisme van na de Tweede Wereldoorlog, spreekt Heijne van “een heftig verlangen (..) naar oerkrachten in een al te geciviliseerde wereld” (idem, p.128). “Al te geciviliseerd”: opnieuw wordt de schuld van eigen onvermogen bij een ander gelegd. Heeft de elite soms de gezonde driften van het volk afgeknepen?

Het is natuurlijk pijnlijk dat Heijne de positief irrationele verlangens die hij veronderstelt bij de burgers en opvoert als zijn toegevoegde waarde in de dis- cussie niet overtuigend over het voetlicht brengen kan. In het geval Fortuyn verwijt hij politiek analisten juist veronachtzaming van deze motieven:

Politieke analisten concentreerden zich liever op de politieke resonans van deze heftige periode – in de taal die ze begrepen. Dat was niet de taal van Wagner en Dostojevski. (o.c, p.95).

Kiezers op Fortuyn waren niet ”enkel en alleen” (p.96) uit op politieke hervormin- gen. Ze streefden vervulling van allerhande verlangens na, naar “regeneratie”, “vernieuwde gemeenschapszin”, “trots” (o.c, p.95,97, 99).

Biedt het “monarchisme” misschien een geschikt model voor de gezochte irrationaliteit?

Geloof in de monarchie is per definitie irrationeel (..). Het vereist een bevlogenheid die de werkelijkheid op een meeslepende manier geweld aandoet. (Het verloren land, 2003, p.36)

Monarchisme legt een “rotsvast verband” tussen een vorst en een natie (volgens Heijne is dit kennelijk onredelijk). Een nationalist doet hetzelfde, met zichzelf (en volks-/landgenoten) op de positie van vorst: “Pogingen om identiteit tot een transcendent begrip te maken, het zelfbeeld van een individu samen te laten val- len met een natie of volk” (Moeten wij van elkaar houden, p.93).

Eerder voerde Heijne voorbeelden op van mensen die een eilandje in de wereld afbakenen en vervolgens oogkleppen opdoen (mijn oordeel). Bijvoorbeeld de blanke Zuid-Afrikaanse zanger Bok van Blerk, die uit de rijke Zuid-Afrikaanse geschiedenis dat stuk selecteert waarin een bedreigde Boeren-minderheid dapper standhoudt tegen een Britse overmacht. Met dat blank Zuid-Afrika verbindt hij zich graag. Niet dat hij de apartheid goedpraat, overigens (Onredelijkheid, 2007, p.57-58). Ook hier laat een groep mensen (Van Blerk en zijn fans) hun zelfbeeld samenvallen met een bevolkingsgroep en een partijdige selectie wapenfeiten.

de “Boeren”-eigenheid van Bok van Blerk

Eigenheid in soorten en maten 
Heijne’s analyse heeft een schaalprobleem. Crux van eigenheid bij Heijne is dat zij exclusief is. Eigenheid (je vereenzelvigen met een groep met bepaalde kenmerken) wordt gedefinieerd in contrast met universalisme. Zo’n wereldomvattende groep wordt onleefbaar en daarom onwaarachtig geacht.

Maar waar begint het lokale? Is een sterke identiteit als “Amsterdammer” goed genoeg of te klein? En wat te vinden van het sentiment als zouden wij deel uit- maken van een exclusieve “Joods-Christelijke cultuur”? Te groot? Monarchie en vereenzelviging met de blanke Zuid-Afrikanen hebben we al  gehad. Is dat dan het aanvaardbare midden? Het komt nogal willekeurig over (zoals het argument om het universalisme te verwerpen niet-valide is. Heijne verwart universele “mede- menselijkheid” als ideaal – dat als onhaalbaar kan worden verworpen – met an- dere gronden voor universalisme).

Dan zijn er nog de onzinassociaties: Kurt Vonnegut muntte de granfalloons, voor mensen die zich verenigen onder een betekenisloos vignet – waartoe Vonnegut overigens ook de ‘natie’ rekende…Heijne voert zelf als voorbeeld een meisje op dat een kuisheidsring wil kunnen dragen. Mij treft het als een wat smal voorbeeld van ‘eigenheid’ maar kennelijk vindt Heijne ook dit qua schaal en inhoud passend (o.c, p. 58).

Eigenheid als quasi-drift
Daarnaast heeft Heijne het over identiteit als een “roes”:

Het begrip identiteit wordt meestal voorgesteld als een doelbewuste verankering, de veilige geborgenheid van het groepsgevoel. Maar mis- schien vaker nog is het een roes, maar dan een roes die paradoxaal genoeg zijn rechtvaardiging zoekt in een maatschappelijke omwente- ling (Het verloren land, p.11-12)

Door te spreken van “rechtvaardiging” maakt Heijne de roes onzuiver (zoals een aangezette dronkenschap). Ook de illustratie bij deze tekstpassage plaatst de roesachtige identiteit-in-gemeenschap in het domein van gekte. Een stel dronken mensen dat een ander mishandelt begaat volgens Heijne zinloos geweld, maar Molukse activisten die een trein laten ontsporen hebben een identiteit:

Van een afstand gezien (..) een mengeling van onmacht en zuivere pa- ranoia, maar je hoeft maar een lid van zo’n paramilitaire splinterorga- nisatie te zien om te weten dat het hier om oprechte gelovigen gaat. (Het verloren land, p.12)

Hier schiet Heijne zich in de voet. Hoogstens kan hij bedoelen: de Molukse acti- visten zijn oprecht verblind. Maar Heijne kan niet tegelijk paranoia en oprecht- heid vaststellen, behalve wanneer hij de Molukkers psychiatrisch ziek verklaard. Maar dan weten ze niet beter en is een ethische categorie als ‘(on)oprecht’ niet van toepassing.

Als vage psychoanalyticus verdedigt Heijne onbewuste motivering en ‘terugkeer van het verdrongene’ tegenover rationalistische terrorisme-experts, in het geval van de 9/11-kapers. Natuurlijk bezochten Mohammed Atta en collega’s vooraf- gaand aan hun daad casino’s en stripclubs in Las Vegas:

Mensen die zelfmoord willen plegen, gaan júist naar Las Vegas om lol te hebben. (..) Alles wijst erop dat ze [de terroristen] (..) zich fataal aangetrokken voelden tot wat ze het meest haatten.

(..) Sinds wanneer wordt van getourmenteerde terroristen (..) verwacht dat ze er een coherent wereldbeeld op na houden? Als ze niet inconse- quent waren, zouden ze helemaal nooit terrorist geworden zijn. Hun haat tegen Amerika en de westerse wereld is (..) de zelfhaat van de verscheurde twijfelaar. (Het verloren land, p.108)

Ook duikt geregeld in Heijne’s betogen een Freudiaans getoonzette “menselijke natuur” op, alsof onomstreden eindpunt van alle pogingen tot verklaring van menselijk gedrag (‘universeel gegeven’ om het pesterig te zeggen, gegeven Heijne’s neiging eigenheid als ‘concreet’, en universalisme als ‘abstract’ voor te stellen). Als voorbeeld de volgende opmerking in een recensie van de film Borat:

Even krassen, even zieken en zuigen, en de ware gevoelens van mensen komen naar boven. Het is hilarisch, die kloof tussen met de mond bele- den beschaving en de beestachtige werkelijkheid, maar geen prettig gezicht. (..) Borat is dan ook geen aanklacht tegen verstikkende poli- tieke correctheid, de film laat alleen maar zien dat politieke correct- heid een wassen neus is, dat de ware aard van de mens zich niet laat temmen door wat afgedwongen verlichte noties over gelijkheid en verdraagzaamheid. (Harde Liefde (2010), p.121-122)

Freud’s “Wo Es war, soll Ich werden” blijft bij Heijne niet ingelost, als een Tristan-akkoord.

                                                                                                                       .

Heijne’s eigenheid verlangt een of andere emotionele geïnvolveerdheid welke het markeert ten opzichte van een als bloedeloos gedefinieerde ‘universalistische’ Verlichting. Vertaald in termen van nationale eigenheid, zou Heijne zich hier be- kennen tot een etnisch-romantische opvatting van de natie. De kritiek van Del- waide op Scheffer (in 1996) is mijns inziens ook van tepassing op Heijne’s ge- scherm met een driftleven onder eigenheid in het algemeen:

Goedkeurend citeert Scheffer Richard von Weizsäckers bedenkingen tegen de notie van het Verfassungspatriottismus: ‘Dan blijft patriottisme beperkt tot een inzicht en bevat het geen instinctieve gevoelens’. Maar waar zouden die ‘instinctieve’ nationale gevoelens beginnen, en waar zouden ze eindigen? Zou de bereidheid het eigen leven te offeren instinctief zijn wanneer het Vlaanderen betreft, minder instinctief wanneer het België betreft, en anti-instinctief wanneer het Europa betreft? Wat een onzin! Hoeveel instinct-geklets zullen we nog moeten doorstaan?  (Het nut van Nederland, 1996, p.261)

Bij nader inzien is deze misvatting gevolg van Heijne’s conceptuele verstriktheid. Door van een zeer beperkte opvatting van ‘verstand’ uit te gaan, zadelt hij zichzelf en de lezer op met een Freudiaans aandoende ‘onredelijkheid’.

Heijne gebruikt ‘irrationeel’ in drie verschillende betekenissen:

  1. niet-verstandelijk (gevoelsmatig, driftmatig). Dit verwijst naar de eerder genoemde “wezenlijke behoeften”. Een behoefte is qualitate qua ‘rationeel’ (zoals de behoefte de lichaamstemperatuur op 37 graden Celsius te houden). Heijne ageert tegen de notie “dat de mens het helemaal alleen afkan, zolang hij maar vertrouwt op zijn verstand” (Onredelijkheid, p.72). Dit is echter een stromanredenering, eenzijdige toeschrijving van “verstand” en “(atomistisch) individualisme” en ontbreken van “emoties” (of een spiritueel gen) aan verlichtingaanhangers/humanisten. Waarna alles wat zo uitgesloten wordt, terugkeert bij de ‘eigenheid’-denkers als “onderdrukte natuur”.
  2. Freudiaanse processen van werkelijkheidsvervalsing om aan een behoefte (in de fantasie) tegemoet te komen. Een dergelijke vervalsing is bij Heijne verondersteld. Freudianen zijn geneigd idealen terug te vertalen naar ‘begrijpelijke’ driftmatige oermotieven. Daarover lees je bij Heijne niets maar het lijkt verondersteld in de vatbaarheid van burgers voor Fortuyn’s messianisme. Dat wordt ingewikkelder bij de opvolger daarvan, de “essentie van de gewone man” uitgevent door populistische politici. Welk ideaal wordt in het volgende citaat uitgedragen: “Alleen nog aan de kant van het plotseling ontstane politieke populisme bloeit het messianisme, zij het onder het mom van anti-idealisme, dus realisme” (Moeten wij van elkaar houden, p.101)? In het vervolg komt Heijne opnieuw met een rancuneuze definitie van nationale eigenheid (“iets wat eeens natuurlijk aanwezig was en toen door boze krachten ontvreemd werd”, p.103) en wil opnieuw dat we daarachter een positief verlangen ontwaren, naar binding: “Het politieke establishment wil het populisme hoogstens redelijk tegemoet komen (..) [maar] het is ook een reactie op een ontkerstende wereld” (p.113). Jammer dat het zich steeds in de perverse vorm van rancune manifesteert…
  3. volstrekt willekeurig. Heijne voert Dostojevski’s antiheld uit Aantekeningen uit het ondergrondse op, die het onredelijke om het onredelijke doet, uit louter haat tegen de dwingendheid van het redelijke alternatief:

Voor de ondergrondse man zijn de menselijke beperkingen onver- draaglijk; de gedachte dat twee maal twee vier is en ook altijd vier zal blijven, is een kwelling waar hij zich niet bij neer kan leggen. Waarom zou twee maal twee niet vijf kunnen zijn? (Onredelijkheid, 2007, p.74)

Kenmerk van een serieus te nemen dieptepsychologie is een verruimd begrip van redelijkheid. De ‘redelijkheid’ van ‘natuurlijke’ aanvechtingen wordt erkend. En hoewel men erover kan twisten in welke mate een mens in staat is heer en meester te zijn over zijn of haar aandriften (of ook: leven), doet dat geen afbreuk aan de waarden autonomie en waarachtigheid. Heijne beaamt dat min of meer (kenmerkend met behulp van een containerbegrip): “Verlichting is hoogstens een ideaal tegen beter weten in, een houding” (Onredelijkheid, 2007, p.74).

Hoewel Heijne stemmers op populisten in de driftmatige, irrationele hoek situ- eert, kunnen ze zeer redelijk en werkelijkheidstoetsend zijn: ze zijn er als de kippen bij om “verlichtings”-gelovigen op hun hypocrisie te wijzen:

Gelijkheid, tolerantie, rechtvaardigheid, solidariteit – keer op keer worden mensen die deze abstracties hoog in het vaandel hebben ont- maskerd als akelig hypocriet, als zogenaamd hoogstaande geesten die er een dubbele moraal op nahouden. (Moeten wij van elkaar houden, 2011, p.97)

Anderzijds worden ze (en anders Heijne wel) daarbij geleid door een – mogelijk irrationele – a priori-overtuiging: universalisme is altijd hypocriet.

Heijne’s vage Freudianisme ligt ook aan de basis van zijn verzet tegen (zijn idee van) “humanisme”, “verlichtingsdenken”:

Individu en ratio aan de ene kant, gemeenschap en gevoel aan de ande- re: je hoeft niet over een groot inzicht in de menselijke natuur te be- schikken om te beseffen dat een mens voortdurend heen en weer ge- slingerd zal worden tussen die twee uitersten (Moeten wij van elkaar houden, p.109)

Hier klutst Heijne begrippenparen uit twee verschillende kennisdomeinen door elkaar en springt, alsof het niets is, van filosofie (Verlichting en Tegenver- lichting) naar psychologie/ethiek (populisten voelen vermeend goed aan dat veel ‘humanisten’ onwaarachtig zijn) – parallel aan zijn stilzwijgend overstappen van ideeën naar aanhangers van ideeën.

Het betreft de paren gevoel/verstand en individu/gemeenschap. Maar derde en vier- de paar dat Heijne hiermee vermengt – de media  [en toen bleek WordPress zomaar een aantal pagina's verwijderd te hebben - wordt aan gewerkt....]

Psychologie van de politicus
In mijn ideaalbeeld volgt de slagvaardigheid van een politicus uit een verinner- lijkte visie (haast een ‘gewoonte’). Je wordt niet door situaties verrast, in elk geval niet verlamd. Ik bepleit niet Realpolitik maar weerbaarheid.

Maar ik zou het niet hoeven bepleiten als hier geen dilemma ligt. Inhoudelijke morele verontwaardiging (“Agnes Kant”) is wat anders dan de boosheid van een gedwarsboomde machtspoliticus.

Trekken we weerbaarheid, standvastigheid, gezag en wijsheid samen, dan zien we (de behoefte aan) een authentiek, goed ontplooid mens (uit een stuk, samen- hang in de veelheid, leven wat men predikt).

Open vraag is hoe we de gememoreerde eerzucht, ijdelheid en het vermogen tot beïnvloeden/manipuleren en dergelijke moeten duiden. Kan eerzucht of een ge- voel van roeping dekmantel zijn van een oorspronkelijker motivering, zoals ‘zich willen bewijzen tegenover de ouders die hem/haar niet zagen staan’? Hoe de passie van de politicus te begrijpen?

Dick Pels, aan wiens boek Het volk bestaat niet (2011) ik het interview met Pechtold en de aangehaalde columns van Van Doorn en Van Middelaar ontleen, komt daarover te spreken in het geval van charisma:

Sommige mensen zijn een kop groter dan andere. Zelfs wanneer ze, zo- als Napoleon Bonaparte, Benito Mussolini, Nicolas Sarkozy, Madonna Ciccione of Kylie Minogue, fysiek niet hoger reiken dan 1.60 m. of daaromtrent, zijn ze zó indrukwekkend en ‘uitstekend’ dat grotere mensen zich in hun nabijheid klein en onderworpen voelen. Het is een cliché om hun drang de hele wereld te willen veroveren te verklaren als een compensatie voor die geringe gestalte. (p.129)

Pels ziet charisma deels als een zichzelf vervullende voorspelling. Helden worden deels door hun aanhangers gemaakt, op het schild gehesen. Aan de andere kant bezitten potentiële leiders, meent Pels, verwijzend naar de socioloog Collins, een “psychologische krachtbron”, “emotionele energie” die ze onderscheidt en pre- disponeert voor hun toekomstige rol:

Persoonlijk gezag wordt inderdaad vaak afgedwongen (..). Echte lei- ders dringen zich op (..). Dat geldt zelfs wanneer zij democratisch worden gekozen. Hoe paradoxaal dit ook klinkt: ook in dit geval is er sprake van een soort zelfselectie en zelfaanstelling; leiders zorgen er- voor dat zij door hun achterban worden gekozen. (p.140)

Hij heeft het over een gevoel van “roeping” dat veel (geboren) leiders kenmerkt en hun wilskracht mede voedt. Andere vereiste kwaliteiten, zoals het vermogen hard te werken, te focussen op het einddoel, anderen te motiveren en voor het eigen karretje te spannen, zijn bijkomstig (p.140, 141).

Serieus ingaan op een eventuele ‘werkelijkheid achter de werkelijkheid’ van machtswil, en de mogelijke gevolgen daarvan voor het optreden van betrokken leiders, doet Pels niet. Hij wijst op de haast onvermijdelijke neiging van politici om hun macht te willen uitbreiden of bestendigen (de verleiding van de olichar- chie) en benoemt “een onderliggende psychologische factor”:

Politieke ambitie is ondenkbaar zonder een flinke dosis eerzucht, ijdelheid en machtswil. (p.86)

Wel haalt hij de partner van Femke Halsema aan, die stelt dat “als de maskers af zijn”, politici meer dan andere mensen willen dat van hen gehouden wordt, “azen op liefde” (p.87).

Noten

1: Het is interessant dat Pechtold mensen hier vooral als consument lijkt te zien en zichzelf als buurman/verkoper. Het verhaal dat hij hier aan hen poogt te verkopen is overigens niet de visie op het land van D66 maar (slechts) het beleid van het Kabinet-Balkenende II.

Pechtold kon als minister de betrouwbaarheid van een buurman ambiëren dankzij het bestaan van televisie: alleen zo komt hij bij honderdduizenden over de vloer. 

Dit brengt me bij een andere mogelijke betekenislaag van de ‘wakende vader’-politicus: hij vertegenwoordigt autoriteit op zijn meest nabij: het is de baas die voor je zorgt. Het type past, met andere woorden, beter bij de verzuiling en bij corporatisme. De tweedehandsautoverkoper van Pechtold is toegesneden op de geïndividualiseerde wereld van het liberalisme, waar de samenleving niet als familie maar als samenstel van vrije individuen wordt gezien.

Ook Pechtold als tweedehandsautoverkoper ‘zorgt’ voor je, door je niet te bela- zeren, maar beduidend minder. Het contact is functioneel, een afgegrensde transactie, geen zorgrelatie. Zo bezien is het woord ‘buurman’ verneukeratief. Het suggereert een ‘community’ die er, wat liberalen betreft, niet hoeft te zijn.

Aan ‘wakende vader’-gedrag blijft, gezien de kwetsbaarheid van het bestaan, be- hoefte. Ook George Bush jr. stelde op zijn manier gerust: iedere Amerikaan een eigen huis.

“Starters hoeven geen slecht huis te kopen. Als we ons best doen, kunnen star- ters met een laag inkomen net zo mooi wonen als iedereen” (1.00 min) 

2: Hoewel men misschien anders zou denken, boette Verdonk niet in aan geloof- waardigheid doordat ze een burger uitbeeldde die ze zelf niet was. Net zo kunnen Larense tv-presentatoren annex miljonairs geloofwaardig identificatiefiguur zijn van ‘gewone’ televisiekijkende Nederlanders. Dat is een interessant psycholo- gisch verschijnsel.

“Iets anders: voel jij je huisvrouw?”. ”Soms wel, eigenlijk” (10.24 min).

3: Het bekleden van een verantwoordelijke functie vergemakkelijkt de herstile- ring van een politicus tot ‘wakende vader’. Zoals Wouter Bos aan ‘senioriteit’ won door de reddingsoperatie van de banken, zou ook premier Rutte dat kunnen. Hij moet dan het studentikoze (de schaterlach, de hand in de broekzak) en het onpersoonlijk goedgehumeurde van de marketingman laten vallen en de ernst, waarover hij wel degelijk beschikt, meer tonen.

Misschien zou die ernst wat meer twijfel moeten toelaten, zodat Rutte’s overtui- gingen meer de aanschijn van ‘innerlijke overtuiging’ krijgen, in de zin van op het leven en eerdere eigen opvattingen gewonnen, en minder van kernbood- schap van een marketingverhaal.

4: Men zou dit als ondersteuning voor Pels’ geloof in de visuele en emotionele ge- letterdheid van televisiekijkend Nederland kunnen zien. Verraadt Rutte zichzelf immers niet en hebben wij dit feilloos door?

Ik betwijfel het. Mijn eigen interpretatie volgt op het herbekijken van de clip. De eerste keer dat ik de beelden zag, reageerde ik, zoals de meeste kijkers, vanuit mijn politieke en andersoortige vooringenomenheid, op de manier die ik bezig ben te beschrijven, vooral ontsteld over wat ik niet zag. Zo’n vooringenomenheid heeft iedereen. Als kijker kleur je de beelden in; ze leggen geen dwingende inter- pretatie op.

Een bekend experiment onderstreept het belang van ethos – en de hachelijkheid van je eigen interpretatie/beleving als objectief te ervaren. Ed van Thijn (PvdA) en Hans Wiegel (VVD), destijds fractieleider van hun partij, verkondigden, op verzoek, in afzonderlijk opgenomen interviews, op zeven onderwerpen hetzelfde standpunt. De interviews werden getoond aan VVD- en PvdA-aanhangers. Sterkste meningsverandering vertoonden de proefpersonen die het interview met de poli- ticus van hun voorkeurpartij hadden gezien (Wiegman, 1985). 

5: ‘Wie de vorm beheerst, is de inhoud meester’, Frits Bolkestein, Onze Taal, waarschijnlijk eind 1997 of begin 1998. November 1997 gaf Bolkestein een lezing met dezelfde titel op het tweejaarlijks congres van het Genootschap Onze Taal.

6: Heijne parafraseert de socioloog Sennett die Burckhardt aanhaalt, die dezelfde observatie pleegt als Pels: “In Burckhardts eigen tijd volgde op de omwentelingen die de industriële revolutie met zich meebracht, de volks- en vaderlandlyriek van het nationalisme” (Moeten wij van elkaar houden, 2011, p.114).

7: Column ‘Wie heeft er hier de leiding’. Mijn analyse van de argumentatie is te vinden in Bromsnor.

4 Reacties tot nu toe

  1. fwaaldijk on

    Waar vind je nog dergelijke inspirerende analyses? De krant heeft er geen tijd meer voor. Terwijl de vraag `wie laten we besturen’ toch een enorme impact heeft. De rol van media, kiezers en politici zou met grote regelmaat op een manier als hierboven tegen het licht gehouden moeten worden, vind ik.

    Ook andere artikelen op deze blog vind ik bijzonder de moeite waard.

    • Age on

      Dank je wel. En dan te weten dat het artikel nog niet af is. Ik ben gestrand bij ‘Psychologie van de politicus’. Mijn doel is een goede vergelijking van Dick Pels en Bas Heijne.

      Schematisch heeft de eerste weinig oog voor ‘dieptepsychologie’, ‘diepere’ motieven en hun verstorende werking en de laatste vóóral voor dieptepsy- chologie, op een wazige manier, zonder zijn interpretaties te beargumen- teren, zonder uitspraken te doen over de (on)veranderbaarheid van mensen.

      Heijne doet in de verte denken aan mensen die iedere altruïstische daad tot eigenbelang reduceren en zich na zo’n duiding wereldwijs achten. Zijn dubbelheid zit in frases als “Je hoeft geen cultuurpessimist te zijn om”, waarna hij dingen zegt die de cultuurpessimist zegt. Zo ook verdedigt Heijne de verlichting maar het ideaal fungeert vooral als norm om de treurige werkelijkheid tegen af te zetten.

      Over de media gesproken: Pels bepleit o.a. een vorm van media-educatie (in het onderwijs).

      Verder: Pels en Heijne zijn zeer alert op ons leven in een mediacultuur. Ik ben door hen hiervoor gevoeliger geworden.

      Hé, ik zie dat je de Frank Waaldijk bent/lijkt, die eerder op mijn verzoek heeft gereageerd op mijn posting over de Bill Viola-expositie in De Pont!

      • fwaaldijk on

        Ja, dat klopt, ik heb eerder gereageerd. Maar ik lijd ook aan `druk druk druk’, dus komt het er vaak niet van om alles te lezen wat ik zou willen lezen. Ben wel van plan om deze blog iets vaker te bezoeken, want je schrijven getuigt van diepgang en zorgvuldigheid, en dat zijn zeldzame kwaliteiten, die ik waardeer. Mvg, Frank

  2. assyke on

    goed artikel


Reacties zijn gesloten.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.