Liefde, weer


Pater van Kilsdonk is dood. Eén manier waarop je van middelbare leeftijd geraakt, is als omgeroepen gestorven Nederlanders steeds minder ‘oude mensen’, steeds meer mensen van betekenis zijn die, wat gaat de tijd toch snel, ook ouder geworden zijn. Iets teveel, dus, of, nou ja. Als tegemoetkoming naar jonge mensen: dat is zoals wanneer Cruijff sterft of Mandela of – ach, excuses voor deze oudjes – Gerard Joling.

Van Kilsdonk ken ik van betrekkelijk laat. Hij was terugkerende gast in de radioprogramma’s van Ischa Meijer. Met zijn theatrale en precieuze stem
– vooroordeel is overal – verdacht ik hem van ijdelheid en vond hem sterke kandidaat, mede vanwege zijn verlichte opvattingen, voor te vergeven posities van ‘verborgen homoseksuele rooms-katholieke ambtsdrager’. Associaties die de even eerbiedwaardige professor Diepenhorst nooit wist op te roepen; diens présence bleef die van een preseksueel, kraaiend jongetje. Maar dat is vast een ander vooroordeel, hoewel, kraaien deed hij.

Ischa mocht hem. Dat zegt iets, hoewel Meijer ook sympathie had voor kleine neringdoenden die zich hadden opgewerkt, zoals Jos Brink of Robert Long. Mannen die, mede vanwege hun ook bedienen van het grote publiek, omstreden waren in de kringen die het voor het zeggen hadden. Dat interesseerde Meijer dan weer. En misschien ook hun homoseksualiteit, voor zover die mensen dwong tot maskerades of een vroege geestelijke onafhankelijkheid tot gevolg had.

Eerder deze week, gedurende de Kruispunt TV-uitzending aan zijn overlijden gewijd, ben ik van dit ijdelheidsvooroordeel genezen. Mij blijft vooral de passage bij waarin Van Kilsdonk zijn talent beschrijft (ik heb zijn spreektaal bewerkt):

Ik zou mijn pastoraat wel durven noemen…een pastoraat van de vertroosting. Dat is…de ‘trilling’ teweeg brengen waardoor zich in die ander, die zich dichtgeslagen voelt, de innerlijke bron weer opent, die bron die is dichtgeslibt en vervuild is geraakt; dat die weer helder wordt en in beweging komt. Zodat achter zijn schuld zijn onschuld voelbaar wordt, achter zijn onmacht zijn veerkracht, achter zijn wanhoop zijn verwachting. [In schrift galmt het nog steeds, in het echt ontbreekt dit pathos. Vooral de laatste zin ontroert me]

Het doet me denken aan de roman die ik nu lees, De correcties van Jonathan Franzen. Een afschuwelijk boek. Alle personages, gezinsleden, worden getoond op diverse momenten van hun leven. De kinderen zijn volwassen maar in flashbacks klein, de ouders bejaard maar worden ook getoond in de kracht van hun jaren, in een bevroren huwelijk. Alle personages zijn doortrokken van dezelfde intense behoefte: gezien, erkend, gewaardeerd worden. Ze wachten en maken verwijt.

De vrouw lijdt bijvoorbeeld onder de uitblijvende kus bij het vertrek op de lange dienstreis. Het kind, gevoelig voor de onderaardse trillingen in huis, krijgt het avondeten niet door zijn keel, door moeder met opzet verprutst voor haar terug- gekeerde man, gerecht dat hij sowieso niet waardeert (en daarom gekozen).

Vader trekt zich na het avondeten terug in de kelder voor rituele scheikundige experimenten. Moeder speelt, zoals bijna elke avond, tafeltennis voor de deur van het lab, met haar zoon, die haar dit genoegen gunt, ze heeft het nodig. De echtgenoot kan zich niet concentreren en wacht gespannen op de verhoopte klop op de deur. De echtgenote ziet, vanuit haar perspectief, een afwerend donker hol. De andere zoon zit nog steeds voor straf aan tafel en ontleedt de koude hap minutieus. Hij hoort het tafeltennis, punt na punt.

In hun behoefte aan waardering zijn de gezinsleden gelijk, menselijk, herken- baar, sympathiek. Maar elk is evenzeer dader, valt anderen af, blijft in gebreke. Wat ze bijeen houdt, is wat men elkaar ontzegt, een niet-ingeloste verwachting.

Opmerkelijk is dat de schrijver suggereert dat ze weten waaraan ze behoefte hebben en weten wat ze de ander aandoen. Toch verandert er niets. Ik herken me erin, helaas.

Deze niet uitzonderlijke praktijk doet het talent van Van Kilsdonk des te beter uitkomen. Hij duwt telkens als eerste dominostenen om – in de ‘goede’ richting:

Hij bracht zoveel eerbied op voor de andere persoon, voor wie maar bij hem kwam, dat het in die andere persoon iets deed veranderen, dat mensen weer in zichzelf gingen geloven, bijvoorbeeld, of dat ze iets milder werden, dat ze konden vergeven ineens.

In zijn eigen woorden:

Het is aan mij gegeven om mensen zeer diep te eerbiedigen, te bemoedigen, tot herkenning te brengen. Ja kijk en mensen eerbiedigen, maakt hen eerbiedwekkend; mensen bewonderen maakt hen bewonderenswaardig. [het overtuigt helaas al weer niet in schrift]

Of wat vindt u van deze begaanheid:

Ik zegen niet meer zo vaak een huwelijk in. Maar wat veel mensen mij nog wel vragen…is om de brokken te zegenen. Brokken zegenen betekent ook eerbied hebben voor de brokken…en voor de brokkenmakers.

Bedenk tot slot hoe de volgende woorden katholieke jongeren maar vooral hun ouders op het andere been gezet hebben:

Als je in alle culturen ziet dat er vrouwen van vrouwen en mannen van mannen houden, kan ik als gelovige niet zeggen dat dat toeval is en nog minder een ongeval. Als gelovige zeg ik dan dat homoseksualiteit een vondst van de schepper is.

Daarbij was hij een Bourgondiër.

Toch spreekt het tobberige mij meer aan, alsof waarheidsgetrouwer. Je had enkele jaren terug de documentaire O amor natural, bij de gelijknamige gedichtenbundel van De Andrade. Oudere Brazilianen haalden erotische herinneringen op of bezongen de liefde, weliswaar niet helemaal lichamelijk maar toch fors. In dat boek en die film is de liefde eenvoudig. Hij komt op je pad en blaast reserves omver, genieten maar. Niets daarvan bij Van Kilsdonk. De liefde is zeldzaam en moeizaam. Wij staan onszelf in de weg. Mensen worstelen om echt contact in plaats van twee keer geïsoleerde wensvervulling.

Zeg ik, dus opgepast. Hoe noodzakelijk is dit tobberige einde, hoe onbereikbaar ‘het ideaal’? Van KIlsdonk ging niet gebukt door het leven. Het recept van zijn gave is ook in niet-pastorale woorden weer te geven en toepasbaar voor wie wil: luisteren; niet oordelen (je ‘zelf’ opzij schuiven); mildheid.

Het is misschien een kip-of-eikwestie: “Geef en gij zult ontvangen” tegenover “Om te kunnen geven, moet ik eerst ontvangen”. Geringe mildheid voor anderen gaat bijvoorbeeld vaak samen met strengheid voor zichzelf. En het is moeilijk van een ander houden als je het niet van jezelf doet.

Advertenties

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: