Liefde, haat en andere onbenulligheid


Beheersing is cultuur en suf, oke oke, maar sommig gevoel is, voor alles anders, gebrek aan cultuur.

Beheersing heeft een slechte pers als zijnde kunstmatig. Het is de goede echtge- noot verkozen door de romantische heldin ná de episode met de slechterik; de ‘verstandige’ keuze maar een tikkeltje saai en niet verteerbaar dan na enig op- pimpen, het toebedelen van wat ‘menselijke’ trekken aan de brave Hendik, bij- voorbeeld door hem zich te laten begeven in een knokpartij – om haar, natuur- lijk. Zo naderen de extremen impulsief en bedachtzaam elkaar alsnog.

In het midden van beide polen bevindt zich het klassieke ideaal. Roger Federer en Rafael Nadal lijken op elkaar, hoewel iedereen weet wie de brave Hendrik spelen zou. John McEnroe was misschien de laatste romantische tennisheld, Andre Agassi al teveel acteur en crowd plea- ser/manager bovendien.

En, net als bij McEnroe overigens, kon je er niet om- heen dat gemak niet vanzelf kwam. De creatieve inge- ving rust op vele uren hard werken. Moeiteloosheid is een fraaie illusie.

Ongetemd gevoel is waardevol als tegenwicht voor steriele perfectie maar op zichzelf vermoeiend en soms treurig. Vandaag doorkruisten beide, liefde en haat, mijn pad, in tienden van seconden. Uiterlijk gebeurde niets.

Een collega van mij staat zich voor op zijn gevoel voor kunst. Komt hij op bezoek bij een particulier, dan ziet hij meteen het duurste kunstwerk aan de muur. Een talent, zegt hij.

Dit vind ik al patjepeeërig, vanwege de gelijkstelling van kwaliteit en marktwaar- de.

Vandaag bekeken we met een aantal mensen een boek met kunstreproducties. Het boek was meegenomen door een vrouw die er voor de helft met eigen werk in staat. Ze had het boek meegenomen omdat mijn collega op een eerder moment de lof van de andere erin vertegenwoordigde kunstenaar had gezongen.

Die maakt stillevens. In de afbeelding van een geblokte theedoek op een tafel wees mijn collega de vier onderscheidende kwaliteitskenmerken aan. De manier waarop de achterwand was weergegeven, bijvoorbeeld. “Het is knap hoe hij zo’n saaie wand tot leven weet te brengen”.

Ik dacht aan Vermeer’s melkmeisje, de schemerige muur met de fijne details (waarop de catalogus niet vergeet te wijzen en die me dan nu, na jaren, te binnen schieten). Ik dacht aan andere geschilderde muren. Je kon ze moeilijk niet schilderen. En zo’n plat vlak geeft veel schilderkunstige speelruimte.

Hier liep verschil van mening over in rivaliseren.

Ik stoor me aan zijn beleren. Ik reageer zelf primair gevoelsmatig op kunstob- jecten en ben ontvankelijk voor andere dingen, bijvoorbeeld het licht, kleurge- bruik of, bijvoorbeeld in dit schilderij, het element van ‘alle dingen hebben hun stille pracht’. Sommige stillevens in het boek deden me denken aan foto’s van Peter Ruting. Beide kunstenaars maken gebruik van de dynamiek van bolle, af- werende tegenover open, ontvangende objecten, beide werken met glas.

Maar de waarheid is ook dat ik rivaliseer. Ik wil de man met het kunstenaarsoog zijn om me er vervolgens niet op voor te laten staan.

Maar ook ben ik de man die zich van zijn ‘oneigenlijke’ motieven bewust is ter- wijl ze zich ‘voltrekken’. Dus meld ik zuinig dat ik anders kijk, op het licht en het zegenen der schamelheid reageer, dat dat kan. Hij reageert beheersd, ik kijk hem aan en kom er niet achter wat in hem omgaat.

Even later haalt hij zijn gram. Ik zeg “1 gulden” in plaats van “1 euro”. Hij me- teen: “Je leeft in het verleden, Age!”.

Ik ken hem vier maanden. Hij werd vroeger veel gepest. Nu – en misschien ook toen al – is het een ambitieus baasje. Maar hij moet elke week weer bewijzen dat hij volwaardig is. Achter het gesnoef hoor ik het vragen om erkenning. Door te zwijgen oefen ik macht over hem uit, wek ergernis en krijg het bij de eerste ge- legenheid terug betaald.

Ik verschil niet wezenlijk van hem. Mijn zwijgen en deëscaleren komen voort uit moeheid om eigen en andermans kleinmenselijkheid. Maar ik verhef me op die manier in een moeite door boven hem. En misschien is het rationalisatie van angst.

Op zulke momenten kan ik impulsiviteit – de goede – wel waarderen*.

*Naschrift: gelezen in Irvin Yalom (psychotherapeut), Scherprechter van de liefde (1989, Pandora Pocket-uitgave, p.103):

Ik werd hierdoor herinnerd aan een andere patiënte die ik het vorig jaar had behandeld, een vierenveertigjarige, plichtsgetrouwe arts met een overdreven verantwoordelijkheidsgevoel. Op een avond dronk ze tijdens een echtelijke ruzie tegen haar gewoonte in te veel en verloor haar zelfbeheersing. Ze gooide borden tegen de muur en miste haar echtgenoot op een haar na met een citroentaart. Toen ik haar twee dagen later zag, leek ze zich schuldig te voelen en depressief te zijn. In een poging haar te troosten opperde ik dat het niet altijd een ramp hoeft te zijn om je zelfbeheersing te verliezen. Maar ze viel me in de rede en zei dat ik het verkeerd had begrepen. Ze voelde zich niet schuldig, maar was overmand door spijt dat ze zich tot haar vieren- veertigste had ingehouden en nu pas wat echte gevoelens de vrije loop had gelaten.

Advertenties

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: