Verbeeld je maar (n)iets


Bas Heijne komt er niet helemaal uit. Kunst kan de werkelijkheid belichten én verduisteren. Op zijn best levert ‘het belevenissen die betekenis hebben gekregen’ op. Dat doet aandachtig leven echter ook, zogenaamde ‘ervaringen’ (zoals minder aandachtig leven ‘illusies’ bevordert). ‘Ervaringen’ lijken het hoogst haalbare op aarde. Tegelijk hecht Heijne aan een dieptepsychologische metafysica, waarvan hij zich niet altijd bewust lijkt. Een verlangen naar (zelf)destructie zou in elk mens wonen; samenleven kan nooit iets worden; de ‘ervaring’ van intimiteit is ons niet vergund. Deze metafysische kracht lijkt ‘ervaring’ vijandig gezind.

         

Een idealist
U gaat binnenkort dood. Versterk de minieme schrikreactie die deze mededeling bij u teweegbracht duizend keer en u heeft hem misschien te pakken: uw gillende doodsangst.

Dit is belangrijk. Uw doodsangst gaat zwanger van heilzame, intieme kennis. Deze wordt werkzaam op het moment dat u ophoudt weg te lopen voor de volgende gegevenheden:

  1. ik ben vrij en alleen in een toevallig universum.
  2. mijn intieme relaties doen hier niet aan af.
  3. ik ben verantwoordelijk voor mijzelf1.

Aldus Irvin Yalom, populair psychotherapeut van de existentiële richting:

“Ik geloof dat het in de psychotherapie altijd om (..) existentiële pijn draait en niet, zoals vaak wordt beweerd, om verdrongen instinctieve driften of om slecht begraven scherven van een tragisch, persoonlijk verleden” (p.12).2

Een voorbeeld
Een 65-jarige accountant heeft migraineaanvallen. Zijn klachten hangen nauw samen, blijkt uit nauwkeurig door hem bijgehouden staten, met de kwaliteit van zijn seksuele functioneren. In de loop van de gesprekken wordt duidelijk dat seksueel gerief voor deze man altijd ook het doel heeft gehad zich angst voor aftakeling en dood van het lijf te houden.

Waarheid maakt vrij
Het therapieverslag door Yalom is positief over de menselijke natuur. Marvin, de accountant, “een kleine, mollige, kale man met een glimmend kunstgebit en uilenogen die zonder te knipperen door zijn bovenmaatse, glinsterende, verchroomde bril de wereld intuurden”, levert zijn beste therapiebijdragen in zijn slaap. Blijft hij in zijn gesprekken met Yalom lange tijd afstandelijk, in zijn dromen komt hij meteen terzake3.

De confrontatie aangaan met existentiële gegevenheden loutert:

Hij [de cliënt] had geleerd dat er diep vanbinnen een rijke kolkende wereld bestaat die, wanneer het bestaan ervan onder ogen wordt gezien, vreselijke angst losmaakt maar ook bevrijding biedt door verlichting” (p.252).

Eerder noemt Yalom het dromende Zelf “die binnenste kronkel van het zelf die absolute wijsheid en zelfkennis bezit” (p.246) en stelt dat het volle bewustzijn van onze eindigheid “onze wijsheid tot wasdom brengt en ons leven verrijkt”
(p.15). Het loont kortom om de ongevraagde zingevingstaak op onze schouders te laden en daarbij te streven naar eerlijkheid tegenover onszelf4.

Yalom veronderstelt mijns inziens een natuurlijk verlangen naar waarachtigheid5. Onderdrukte verlangens of waarheden over het zelf kloppen aan de deur van het bewustzijn in de vorm van symptomen. Al is de verdringing nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel. Hardleersen eindigen in psychotherapie.

Een goede waarheid is moeilijk te vinden
In dit existentialistisch mensbeeld kan Bas Heijne zich moeiteloos vinden. Tenminste, het rijst bij voortduring op uit de reeks artikelen en lezingen gebundeld in De werkelijkheid6. Alleen het optimisme van Yalom ontbreekt.

De werkelijkheid gaat over kunst als zingeving, over hoe ons als mens te verhouden tot de wereld waarin we leven. De opdracht van de kunstenaar vertoont parallellen met de zingevingstaak van het individu. Beiden proberen betekenis te geven aan belevenissen of betekenis te articuleren die erin aanwezig lijkt te zijn.

Bij Heijne staat ‘bewustzijn’ voor wat in de spreektaal doorgaans ‘ervaring’ wordt genoemd. Het gaat om belevenissen waaraan betekenis is verleend, ‘verwerkte’ gebeurtenissen. Op enigerlei wijze is daarin een ‘zelf’ betrokken, als perspectivisch punt van betekenisverlening.

Materiële basis voor dat ‘zelf’ is ons lichaam, onze lokaliseerbaarheid in de ruimte. Dat lichaam bevat zintuigen. Wij beleven een perspectivisch beeld van de zichtbare, hoorbare en tastbare werkelijkheid.

Onder een ‘zelf’ verstaan we veel meer dan dit gegeven lichamelijk-geometrisch punt van waarneming. Het beantwoordt meer aan de notie van een ‘persoon’. Dat kan een illusie blijken te zijn – maar dit is wat we ons er doorgaans bij voorstellen.

Dat zelf, die existentie, heeft volgens Heijne geen ‘zin’:

Een mens heeft een verhaal nodig wanneer het erop aankomt zijn leven een praktische vorm te geven. Anders gezegd: het verhaal, zijn wereldbeeld, geeft het leven voor hem betekenis. Maar de losgemaakte, onthechte blik laat je de essentie ervan zien. (p.89)

Die onthechte ‘essentie’ heeft bij Heijne een positieve zijde: egoloos komen de dingen tot spreken, “heel die overweldigende schoonheid van dingen” (p.90). Zonder ego lijkt de wereld doordringbaar, de “scheppende blik” hindert niet en iets openbaart zich (“wereldse mystiek” (p.86)).

Tegenover deze mystieke zelfloosheid staat de zelfloosheid van de dood, vernietiger van het lichaam en ‘existentie’. De dood veronderstelt Heijne inherent ongeschikt als ‘zinvol’ plotelement in enig verhaal.

Toch heeft Heijne zijn eigen literaire topoi. Behalve de dood als stoorzender verdedigt hij op verschillende momenten de innerlijke verdeeldheid van de mens, vaag verwijzend naar Freud als gezonken cultuurgoed. Ik schat dat hij niet instemt met Yalom’s “binnenste kronkel van het zelf die absolute wijsheid en zelfkennis bezit” en Yalom bevangen door christelijke verlossingsnoties zal oordelen7.

Kun je Yalom “gnostisch” noemen – een vonk van Waarheid leeft in het Zelf – Heijne’s wereldse mystiek is schoonheid zonder zin. Dit ‘mystiek’ noemen is misschien teveel eer, Schwärmen van een man ongelukkig met lege handen.

“Wereldse mystiek” contrasteert bij Heijne met het vertellen van persoonlijke verhalen op televisie en bij “therapeutische werkgroepleiders” (p.89). Deze stromanvergelijking is onredelijk en doet je je afvragen wat Heijne’s probleem is.

  • Is zelfkennis in enigerlei vorm onmogelijk volgens Heijne en doet men er daarom beter het zwijgen toe? Of hecht hij juist aan verhalen om individuele levens praktisch vorm te geven en is kwaad om de verkwanseling ervan in de driestuiverromans in de media opgedist?
  • Vinden Heijne en Yalom elkaar in de ‘zelfloze’ aandacht? Is deze verwant aan het toelaten van de existentiële gegevenheden – ook een ‘decentrering’ van het ik?

Het is in elk geval belangrijk om de vraag naar de zin van het individuele leven te scheiden van die naar de zin/mystiek van het leven.

Kunst als leven
Net als Yalom schuwt ook Heijne het pathos van Dood en Lijden niet. Wie beide ontkent, leeft niet. “Alle grote kunst zoekt de menselijke ervaring” (p.53), toont “belevenissen die betekenis hebben gekregen”, is  “kunst, maar ook het leven” (p.12, 2x).

Een mens hoort op een waarachtige manier in de wereld te staan. Dat schrijft Heijne nergens maar is verondersteld in zijn strenge oordeel over vormen van vluchten voor ‘werkelijkheid’ van door hem gerecenseerde kunstenaars8.

Zo schrikt Marcel Duchamp volgens Heijne lang terug voor iedere ‘ervaring’  en durft pas in zijn laatste werk de confrontatie aan met “de wereld”. De in dat werk getoonde opengespreide vrouwenbenen beduiden “De wereld van de menselijke ervaring, vol pijn en verschrikking, licht en verlangen, geilheid en desillusie, uitmondend in een doodse stilte”. (p.54)

In de weidse landschappen van Pieter Bruegel de Oude ontwaart Heijne (anachronistisch) een existentiële thematiek: “[De personages zijn] allemaal (..) op weg, (..) allemaal weten ze niet wat hun onderweg te wachten staat, wie of wat ze tegen zullen komen. Ze zijn overgeleverd aan het onbekende landschap, dat natuurlijk niets anders is dan het leven zelf” (p.16)

Het is nu eenmaal zo: het landschap van het leven legt de zingevingstaak op onze schouders. Ontloop je je taak, dan neemt het leven wraak, zoals romanpersonage Patrick Bateman, geschapen door kunstenaar Bret Easton Ellis, ervaart: “Zijn innerlijk, (..) datgene wat hij nu juist zo radicaal heeft afgezworen” (p.64-65) roert zich in gruwelijke moordfantasieën, zijn gedachte vrij man te zijn, blijkt een waan (p.65).

En over de literator Scott Fitzgerald merkt Heijne op: “Wie zijn ogen voor zijn eigen bewustzijn sluit, zal er op een gegeven moment onverwachts door worden overvallen” (p.73).

Aan de mogelijkheid van persoonlijke waarachtigheid twijfelt Heijne sterker dan aan de mogelijkheden van literatuur. Schrijvers kunnen als beste de mens begrijpen (p.163), beweert hij. Over onze niet-literaire pogingen tot zingeving van ons individuele leven is hij sceptischer.

Het lijkt intern tegenstrijdig, alsof een literator ons beter kan begrijpen dan wijzelf en hij/zij, bij uitbreiding, zichzelf, wanneer geen romans aan het schrijven.

Wie ben ik, waartoe ben ik, Heijne’s valkuil van schmierende somberheid
‘De mens begrijpen’ is een ruime omschrijving. Het lijkt echter redelijk het verlangen naar zingeving, en het falen van de pogingen daartoe, onderdeel te laten zijn van ‘wat mensen voortdrijft’, aan hen ‘begrepen’ kan worden en in romanpersonages vormgegeven.

Verzoenende interpretatie is dat schrijvers beter dan gewone burgers het falen van iedere poging tot individuele zingeving kunnen oproepen. Dan blijft vooralsnog onverklaard waarom het falen ingebakken is en waarom waarachtigheid als houding, met permanent ‘voorlopige’ zelfdefinities als resultaat, eigenlijk niet acceptabel, prettig, ‘succes’ is.

Heijne’s uitgebreidere Fitzgerald-omschrijving elders geeft een eerste indruk van zijn somberte. Het “bewustzijn” – in de betekenis van: ieder’s “waarachtigheidslievende Zelf” – aanvaardt geen zelfbedrog en “overvalt je” dan op een gegeven moment. Maar je bent niet in staat je leven te veranderen:

Die wonderlijk lucide blik, die een schrijver in staat stelt zijn eigen obsessies te doorgronden terwijl ze hem ook in zijn macht hebben, vind je ook bij die ander grote verslaafde, F. Scott Fitzgerald. Bij Fitzgerald is het niet gokken, maar drank – en alcohol staat bij hem voor zelfontwrichting. Al Fitzgeralds alter ego’s in zijn romans en verhalen zijn geobsedeerd door succes in de wereld – mooie spullen, mooie kleren, mooie meisjes, mooie zinnen, mooie gebaren – maar door te drinken halen ze zichzelf steevast onderuit. Terwijl ze fanatiek hun wereldse ambities nastreven, knaagt van binnen het ongeloof in diezelfde ambities. De wereld zoals hij is – is dat alles? Dat het leven zelf niet voldoet, dat achter alle verbeten ambitie om er te komen, het besef van een reusachtig, inktzwart niets schuilgaat, dat is de reden waarom veel van Fitzgeralds ambitieuze jonge mannen in hun streven naar succes ook altijd flirten met mislukking, zoals een autocoureur ook altijd op de fatale crash aanstuurt.

Bij Fitzgerald is dat geen spectaculaire ontsporing, maar iets veel gruwelijkers, iets wat hij de crack-up noemt: het plotselinge besef van de totale vergeefsheid, de onverhoedse aanslag van iets duisters in jezelf op alles waar je oprecht in geloofde. Weg ambitie, weg energie, weg geloof. Daarna wacht de mislukking met open armen op je – geen fantastische duikvlucht of gewelddadig slotakkoord, maar een langzaam wegsterven in onbeduidendheid, het voortslepen van een bestaan waaraan iedere zin onttrokken is. Anders dan bij Dostojewski is er geen kans op herrijzenis, er is zelfs geen hoop op herrijzenis.

Fitzgerald kon het aanzien met de onthechte blik van de arts die beseft dat hij met een hopeloos geval te doen heeft; soms sardonisch, zoals in zijn hilarische, schmierende Pat Hobby-verhalen (over een uitgerangeerde scenarioschrijver in het Hollywood van de jaren dertig), soms met een ijskoude wanhoop, zoals in het late verhaal, ‘An alcoholic case’, waarin hij een meelijwekkende alcoholist beschrijft, gezien door de ogen van een thuisverpleegster. Die alcoholist is hij zelf. Maar Fitzgerald is ook de schrijver die naar zichzelf kan kijken, met mededogen misschien, maar zonder de genade die Dostojewski meestal voor zijn alter ego’s reserveert.

Hoe oprecht kan iemand ‘ik kan niet veranderen’ uitspreken? Is dit niet per definitie een rationalisatie?

De dubbelhartigheid gedemonstreerd in Heijne’s tekst:

  • Hij splitst Fitzgerald op in arts en patiënt (“Fitzgerald kon het aanzien met de onthechte blik van de arts die beseft dat hij met een hopeloos geval te doen heeft”). De arts Fitzgerald kan onthecht doen maar de patiënt Fitzgerald lijdt.
  • Fitzgerald de schrijver schrijft “sardonisch” over zichzelf als personage (uitgerangeerd scenarioschrijver): in het vermogen afstand te nemen en de humor schuilt levenskracht. De schrijver is meer dan zichzelf-als-personage. Ligt hier geen aanknopingspunt voor verdere verandering?

.        Wat dat betreft is het interessant na te gaan hoe de verpleegster in “An
.        alcoholic case” de alcoholicus bekijkt. Fitzgerald is beiden, maar dat kun
.        je m.i. niet overtuigend volhouden tegen de arts van de verslavingszorg
.        Ook: hoe moet je je iemand voorstellen die met “mededogen” naar zijn
.        eigen afglijden kijkt?

  • Heijne stelt drankverslaving slechts voor als “zelfontwrichting”, d.w.z. “gemotiveerd gedrag”. Dit is een populair cliché van de dieptepsychologie. Verklaar je vervolgens zonder nadere motivering dit gemotiveerd gedrag “onveranderbaar”, dan ben je sentimenteel en “onwaarachtig” bezig. Fitzgerald is Heijne’s Herman Brood.9
  • Heijne onderscheidt niet tussen het najagen van ‘oneigenlijke’ verlangens, zoals Fitzgerald’s personages doen naar de mening van Heijne, en het doen van ‘metafysische’ uitspraken over “het” leven (zoals “Het leven is zinloos”). Ziet Heijne Fitzgerald’s personages als “gevalsstudies” of staan zij volgens hem model voor ons allen, “de mens”, of toch minstens de casus Bas Heijne?
  • “Dat het leven zelf niet voldoet, dat achter alle verbeten ambitie om er te komen, het besef van een reusachtig, inktzwart niets schuilgaat, dat is de reden waarom veel van Fitzgeralds ambitieuze jonge mannen in hun streven naar succes ook altijd flirten met mislukking, zoals een autocoureur ook altijd op de fatale crash aanstuurt”
    • Heijne onderscheidt slecht: dat een formule 1-coureur of een alpinist flirt met het risico van de dood is wat anders dan dat diens gedrag/liefde voor zijn sport uitdrukt “dat het leven niet voldoet”. Heijne maakt ‘de flirt met de dood’ het eigenlijke motief waarom iemand tot de autosport/het alpinisme wordt aangetrokken, kunnen drinken het eigenlijke motief voor het najagen van een carrière.
    • Strikt genomen is een “niets” neutraal. De dramatiek in Heijne’s quote komt van zijn toevoeging aan het begin. Is “inktzwart” negatief? Is “reusachtig” een negatieve kwalificatie?
  • Dostojewski gunt zijn personages een “herrijzenis”. Ook Yalom laat zijn personages een heilzame verandering doormaken, nadat zij de confrontatie zijn aangegaan met de zinloosheid. Fitzgerald is negatief, net zoals Ellis.
  • “De onverhoedse aanslag van iets duisters in jezelf op alles waar je oprecht in geloofde. Weg ambitie, weg energie, weg geloof” leest als beschrijving van een depressie. Heijne ziet ervan af het zo in te kleuren. Toch zal hij uiteindelijk de vraag moeten beantwoorden: is dit een vertekende ervaring (‘ziekte’) of inzicht (‘oprechte’/’objectieve’ aanslag door iets duister waars in jezelf waar je machteloos tegenover staat)?

Zonder serieuze uiteenzetting met de kwesties die hij aanroert, is Heijne hier als essayist mijns inziens aan het Schmieren. Zo typeert hij Ellis in hetzelfde stuk als een schrijver met “een obsessie met de ongrijpbare pathologische inslag van de mens” (p.27). De interesse van Ellis is pathologisch (‘obsessie’), het object van die obsessie is pathologie, en dit object is niet te begrijpen. Hier mag een adjectief als ‘inktzwart’ de ernst van de wanhoop waaraan we zijn overgeleverd wel benadrukken.

Het is opmerkelijk, omdat Heijne zelf Grunberg van “kitsch van de wanhoop” beticht (p.189).

Een drama maar welk
Wat bedoelt Heijne met “Wie zijn ogen voor zijn eigen bewustzijn sluit, zal er op een gegeven moment onverwachts door worden overvallen”? Het klinkt Freudiaans: het weggedrukte keert terug als symptoom. Maar de veronderstelde “vernietigende krachten van binnenuit” (p.73) blijven onbepaald. De “crack-up” waarnaar Heijne verwijst, een nieuwvorming van Fitzgerald overnemend, blijft – althans bij Heijne – een metafoor. Na die crack-up “staat vrijwel niets meer overeind, jijzelf vaak ook niet meer”, meent Heijne. Echt waar? Opkrabbelen onmogelijk? Is dit tragisch of zoiets als ongeneeslijke kanker (‘lullig’)? En – even pietlutten – wat stort nog meer in, naast de persoon?

Na een lange reeks van zulke interpretaties snak ik naar een theorie, naar een systematischer uiteenzetting met het onderwerp dat Heijne kennelijk mateloos boeit, want het komt in menige variant terug. Het uitblijven van zo’n uiteenzetting, het anekdotische en het via anderen over zichzelf lijken te praten, gaat op een bepaald moment tegenstaan. Wel drama, geen inzicht.

Ook andere psychologiserende termen, zoals “doodsdrift” en “instinctieve neiging naar wezenloosheid”, gebruikt Heijne losjes10. De laatste klinkt als een verwaterde versie van Nietzsche’s dionysische roes, bij Heijne de roes van oneindige consumptie of van ‘niemand’ zijn in een nonomgeving, de massatoerist die vrijwillig in coma gaat (p.109).

Heijne benoemt de pijn die met hechting gegeven is en het terugschrikken daarvan. Onthecht heb je geen ‘zin’ (ervaring) maar ook geen pijn:

Wat meestal niet herkend wordt, is dat verlangen [om te ontsnappen] niets anders is dan een reactie op de drang je te wortelen in het leven, een bestaan op te bouwen, het leven werkelijk te ervaren. Je moet wel: wie niets ervaart, blijft een lege huls, heeft niet geleefd. Maar wie iets opbouwt, wie de ervaring zoekt, zal uiteindelijk alles verliezen (..) Naarmate de ervaring ons steeds inniger met het leven ver- strengelt, soms tot stikkens toe, neemt de behoefte aan ongebondenheid toe (p.45-46).

“Uiteindelijk alles verliezen”: daar heb je Heijne’s Onbespreekbare Waarheid weer: de dood.

Zo ook moet je wel optimist zijn, hoewel de werkelijkheid achterblijft. Heijne is aangedaan bij de aanblik van gezinnen van over de hele wereld, geportretteerd met hun volledige huisraad buiten uitgestald. Een gedeelde kwetsbaarheid dringt zich aan hem op. Materialisme wordt “de even dwaze als indrukwekkende alledaagse hoop die zo veel gezinnen op de been houdt. Het is de hoop op kleine dingen, tegen het grote ongeluk in” (p.102).

Waardigheid en andere old school
Ook ‘waardigheid’ en waarachtigheid zijn varianten van deze klem van ‘vitale illusie’, een berooid Nietzscheanisme:

  • De echtgenoot van een vrouw uit het fotoboek is, nog geen jaar na het nemen van de gezinsfoto, door onbekenden in zijn auto doodgeslagen. De vrouw laat weten er met haar twee dochters het beste van te maken en spreekt de wens uit dat de gezinsgeschiedenis in het boek niet als larmoyant wordt gepresenteerd.
  • Bij massatoeristen en winkelend publiek in shopping malls herkent Heijne, via de foto’s van Martin Parr, authentieke verlangens (p.115), net zoals bij lezers en schrijvers van de proza-equivalenten van Candelight-poëzie:

Hoe wanstaltig sentimenteel en egomaan zulke boeken vaak ook zijn, ze vertegenwoordigen wel een reëel verlangen (..) naar reële betekenis” (p.156)

Reële betekenis oftewel non-zinloosheid
Wat is “reële betekenis”? Dat vraagt ook Heijne zich af. Zijn vertrekpunt is dat de wereld ondoordringbaar is. Mozes sloeg water uit de rots, tegenwoordig is dat slechts de kunstenaar vergund. Het “glanzende oppervlak van de dingen” of het “hard” oppervlak van de werkelijkheid zijn ondoordringbaar, geven niet mee. Jeff Koons is een uitzondering: in zijn kunst is de oppervlakte juist spanningsloos knuffelbaar. Maar het resultaat is hetzelfde: je wordt er niet wijzer van.

De blik die nergens houvast krijgt, lijkt Heijne’s idee (ervaring? – hij roept dit wel op) van ‘de hel’. Die stelt hij zich voor als een raamloos data-hotel (daarvan ziet hij een foto in een door hem gerecenseerd fotoboek), een “benauwende vacuüm gezogen ruimte, boordevol onzichtbare informatie, een eindeloze stroom losse cijfers en feiten, ontdaan van iedere betekenis, buiten het bereik van de menselijke geest” (p.95).

Hier schiet Heijne opnieuw tekort in conceptuele scherpzinnigheid. Hij bestem- pelt ‘tekens’ als ‘zinloos’, onzichtbaar, buiten bereik van de geest. Dat is echter hetzelfde als over een dichtgeslagen boek verklaren dat het ‘ondoordringbaar’ is. De tekens gaan leven als je de code kunt kraken. In de enen en nullen van machinetaal worden, op hoger orde-niveau, betekenisvolle dingen uitgedrukt.

Heijne’s hel is niet de horror vacui bij de aanblik van het universum. Als je je verloren voelt en dit in de ondoordringbare sterrennacht gespiegeld voelt, heb je meer ‘contact’ dan in de afatische nachtmerrie waaraan Heijne lijkt te denken. In dat geval spoort je tekensysteem niet11.

In Heijne’s wereld, die we nu onomwondener als zijn belevingswereld begrijpen, voorgesteld alsof ‘van buiten naar binnen gevonden’ in de werken van anderen, verwordt het ik, verstoken van verbindingsmogelijkheid met de ‘werkelijkheid’, tot iets ‘wezenloos’ – een van de meest gebruikte termen in De werkelijkheid.

Het verwijst in de eerste plaats naar het onvermogen zin te vinden in, of te maken van, de existentie, niet naar een ziektebeeld als ‘depersonalisatie’.

Het slaan van de brug naar ‘de werkelijkheid’ is opgave van de kunst – vindt Heijne – en van de mens. Heijne acht dat verlangen – is het naar transcendentie of slechts coherentie? – bij iedereen aanwezig. Zijn argument: de populariteit van familiesaga’s zoals De Doornvogels (in de 80s12); verbasteringen van de grote negentiende-eeuwse roman. Die portretteerde mensen in hun sociale omgeving. Die behoefte aan verbinding van het ik met een groter geheel is gebleven en dit is wat Heijne bedoelt met “reëel verlangen naar reële betekenis” (d.w.z: in die context bezigt hij de frase).

Niet solistisch mens tegenover de kosmos maar een mens in een gemeenschap (en daarbuiten nog steeds de kosmos).

Maar Heijne zegt niet net zo stellig dat mensen een reëel verlangen naar waarachtigheid (psychologische eerlijkheid, zelfinzicht) hebben. De kunstuiting is als het ware het ‘betere ik’  van de kunstenaar. Zo laten zich gemengde oordelen van Heijne als de volgende begrijpen:

Dat dit verlangen [naar reële betekenis, van gewone burgers] zich meestal uit op een sentimentele of nostalgische manier wil nog niet zeggen dat het niet oprecht kan zijn (p.157)

Wel zelfbedrog, geen revelatie
Heijne heeft veel aandacht voor het menselijk vermogen tot zelfbedrog:

  • De schilder Bruegel beeldt “de menselijke kermis van ijdelheid en zelfbedrog” af (p.19).
  • De schilder Gauguin is ten prooi aan ijdelheid wanneer hij een geschilderde Jezus van zijn eigen mombakkes voorziet.
  • Internetgoeroes prediken naïef “het Nieuwe Jeruzalem” (andere favoriete term van Heijne) van grenzeloze communicatie.

Maar de mens is evenzeer in staat zelfbedrog te ontmaskeren – zie Heijne’s interpretaties – in elk geval bij anderen. Daarmee is zelfverbetering niet uit te sluiten. Waarom Heijne zo pessimistisch is, blijft onopgehelderd. In zijn commentaar op een escapistisch boek schildert hij wat lijkt op zijn eigen, somber wereldbeeld, ik haalde het al eerder aan:

Wat meestal niet herkend wordt, is dat verlangen [om te ontsnappen] niets anders is dan een reactie op de drang je te wortelen in het leven, een bestaan op te bouwen, het leven werkelijk te ervaren. Je moet wel: wie niets ervaart, blijft een lege huls, heeft niet geleefd. Maar wie iets opbouwt, wie de ervaring zoekt, zal uiteindelijk alles verliezen (..) Naarmate de ervaring ons steeds inniger met het leven verstrengelt, soms tot stikkens toe, neemt de behoefte aan ongebondenheid toe. Wie niet meteen naar Tibet vertrekt, kan dat alleen doen door een houding van vrijblijvendheid aan te nemen. (..) En uiteindelijk worden ze allemaal ziek en gaan ze dood, net als wij”.

Hier bereikt Heijne een aansprekende intensiteit. Hij lijkt het te menen. Tegelijk is het de vraag of hij de platitude overstijgt. Het benoemen van de spanning tussen ‘erbij willen horen’ en ‘autonomie’ is bepaald niet origineel. En het pathos is misschien wat overspannen. Het ‘grapje’ over Tibet kun je ‘kwade trouw’ noemen, het stelt de zaak moedwillig eenzijdig voor. De laatst geciteerde regel neigt naar het sentimentele.

Wat is Heijne’s probleem:

  • iedere zin is maar een subjectieve zin?
  • de mens is onmachtig te veranderen in de door hem-/haarzelf gewenste richting?
  • objectief inzicht in jezelf is niet mogelijk, men blijft gevangen in zelfbedrog?

‘Wanhopig idealisme’, een column in De wijde wereld (2000), werpt meer licht op zijn positie. Heijne voert daarin een Amerikaans filosoof op, voor wie hij sympathie voelt maar bij wiens filosofie hij ook reseves heeft. Hem stoort het gebrek aan scepsis:

Eigenlijk, probeer ik mezelf te overtuigen, ziet mijn eigen leven er ook zo uit. Een leven zonder leidende gedachte, zonder geloof of bestemming – en toch is zoveel me oneindig dierbaar, toch geeft een massa hoogstpersoonlijke gevoelens, gedachten en hartstochten dat leven zoveel betekenis dat de gedachte aan de dood me een panische angst inboezemt.

Maar dat zegt de filosoof helemaal niet. Die herhaalt wat tegenwoordig breed gedeeld uitgangspunt mag heten: het leven heeft geen objectieve zin, je zult die moeten maken. Van Dantzig13 geeft zijn en mijn standpunt in deze compact weer:

  • ‘Heeft het leven zin’ is een andere vraag dan ‘Heeft mijn leven zin’
  • Het leven heeft zin als je er zin in hebt14

In bovenstaand citaat zegt Heijne dat ook hij via zijn passies aan het leven gebonden is. Maar, beluister ik, het is hem te mager. Het zijn maar aandriften, die het bewustzijn verblinden. De ‘echte ‘werkelijkheid van dood en ziekte en het grote niets nemen ze niet weg. Ze verzoenen er ook niet mee.

Als dat alles is, zou ik zeggen: “Jammer, Bas, dat het jou niet lukt je met die gegevenheden te verzoenen. Maar doe niet of jouw positie de objectief enig mogelijke is. Houd het particulier”.

Zielloos
Verder stelt Heijne ook in bovenstaand citaat de zaken gekleurd voor, verstopt hij een standpunt in zijn keuze van termen. Zo beweert hij enerzijds geen ‘ge- loof’ of ‘leidende gedachte’ te hebben (dat is onderhand onovertuigend: ‘zin- loosheid’ is zijn overtuiging). Hierin lijkt de ‘D66-er’ te herkennen, trots op zijn ideologieloos, ‘open’ door de wereld gaan. Anderzijds heeft Heijne een boel “hoogstpersoonlijke gevoelens, gedachten en hartstochten”, die ongetwijfeld niet alleen zijn marktwaarde als boeiende maar middelbare homoseksueel betreffen.

Ook werpt Heijne in De werkelijkheid terloops, en zonder veel belangstelling in een antwoord, de vraag op of niet iedereen hoopt te beschikken over een onver- anderlijke kern. Hij doet dat na vaststellen van oppervlakkige veranderingen bij mensen die hij op zijn tv-scherm ziet, aangedaan door hun als ‘aandoenlijk’ ge- interpreteerd verlangen naar echte verandering of echte zinvolheid en na een duiding van de relatieve waarde van massatoerisme:

De aantrekkelijkheid van die excursies in wezenloosheid schuilt vooral in hun tijdelijkheid, net als de schijnvernieuwing van al die metamor- fosen in ons dagelijks leven. Je weet dat je terugkeert, je vertrouwt erop dat je weliswaar je hele uiterlijk kunt veranderen, maar dat er ook iets in jezelf, iets authentieks, je ziel misschien wel, voor jezelf behouden blijft. (p.109)

Heijne’s “je” maakt het makkelijker dit als een confessie te lezen. Heijne zin- speelt op de romantische notie van de “authentieke kern”, het zaadje dat de plant in zich draagt. De hedendaagse levenskunst van Joep Dohmen, wiens boek Tegen de onverschilligheid Heijne gerecenseerd heeft, dus misschien is hij in- middels van mening veranderd, hoewel de strekking van de recensie was dat Heijne niets aantrof wat Montaigne hem niet al geleerd had – verwerpt die notie, niet als eigen geloofsartikel, maar beredeneerd. Je bent meer construct, uitge- vonden, verhaal dat je zelf schrijft, dan je denkt. “Authenticiteit” is werk in uitvoering.

[beste lezer, hier stopt de redactie van mijn tekst, ooit begonnen als posting over een bezoek aan mijn moeder, zie onder. Mijn tussenconclusie:

  • Wat Heijne wint aan precisie ten opzichte van de systematicus – de kracht van zijn zich verdiepen en verliezen in de casus, het individuele kunstwerk, de duiding van het tv-programma – verliest hij aan reikwijdte. Hij werpt veel op, maar niet altijd gaan zijn duidingen diep. Soms is Heijne ‘sofis- tisch’, dan wreekt zich de afkeer van serieuze verdieping, met vastgelegde begrippen en zo.
  • Storend op den duur is Heijne’s meningen ten beste geven via anderen. Heijne verstopt zich te veel.
  • Ook Heijne lijkt te lijden aan de luciditeit die volgens hem Fitzgerald ver- lamde. Het lijkt het Woody Allen-type: de band tussen hoofd en rest van het lichaam, tussen inzicht en handelen, is doorgesneden. Al in de vroege psy- chologie werd – in een verarmd kennistheoretisch debat – een verwante grap gemaakt over een psycholoog die, als een der eersten, ratten een zeker na- denken toeschreef: “In his concern with what goes on in the rat’s mind, Tol- man has neglected to predict what the rat will do. So far as the theory is concerned the rat is left buried in thought. If he gets to the food-box in the end, that is the rat’s concern, not the concern of the theory”. Net zo wordt Heijne’s eeuwig interpreteren op een bepaald moment zwaktebod. Men stemt met de voeten.
  • Heijne meent recent (ik schrijf dit augustus 2011) dat men hem vaak ver- wijt geen oplossingen aan te dragen. Ik denk dat het verwijt meer zijn soms te vaag essayisme betreft. Zijn behoefte aan buitenstaanderschap, met het zelfbeeld van dapper zelfstandig denker, beperkt hem. Waar Heijne meent “Goddank geen ideologie, mijn handen vrij” is de kritiek “Zonder theorie geen inzicht, lege handen”. Verder beperkt het verwerven van inzicht je vrijheid. Je overtuigingen binden je ook.
  • Verdienste van Heijne is dat hij zich, op een manier die aan Nietzsche doet denken (maar ik kan de quote niet meteen vinden), onderdompelt in wan- smaak (massacultuur, tv) en die onderzoekt. Voor naïef idealisme hoeft men bij Heijne niet bang te zijn. Keerzijde is dat hij, anders dan Nietzsche, lijkt te menen dat er niets voorbij wansmaak is (dat is het depressieve van “En op het eind gaan we allemaal dood”). Soms bekruipt je de gedachte: wat zit zo’n getalenteerd man toch de hele avond De Vakantieman te kijken…
  • Heijne is zowel intiem als koel. Zijn kristalheldere stijl brengt nabij. Zijn onderwerpkeuze en zijn interpretaties verraden grote persoonlijke betrok- kenheid. Tegelijk vermijdt hij zichzelf als onderwerp – behoudens steevast de autobiografische beschouwing aan het begin van zijn bundels of essays, welke ons voor dezelfde problemen stelt: intiem en tegelijk bouwsteen in een betoog, inleidend op een problematiek, functionele zelfonthuling. Of- ficieel onderzoekt Heijne de buitenwereld. 
  • Tot slot boort de essay-vorm sóms niet erg diep. Dan zet Heijne zichzelf te weinig op het spel.

Wezenloosheid als winter die lente voorbereidt
Slechts één voorbeeld van ‘innerlijke verandering’, vergelijkbaar met de succes- sen van psychotherapie zoals Yalom die beschrijft, geeft Heijne. ‘Wezenloosheid’ fungeert daarbij als vliegwiel en helpt ontsnappen aan een te knellende persoon- lijkheid. Heijne bespeurt die waardevolle wezenloosheid – het is karig – in de laatste seconde van het leven van Lester Burnham, held, sukkel en filmpersona- ge. Aan Lester trekken in zijn laatste seconde losse, onwillekeurige beelden voorbij4.

Nou ja ‘beelden’ – herinneringen, geen verzinsels, echt gebeurde dingen met ‘hem‘ destijds aanwezig om het waar te nemen, er iets aan te ervaren5. En ‘los’, ‘onwillekeurig’ – allemaal beelden die Lester raakten, misschien niet direct toen ze als gebeurtenis plaatsvonden en werden waargenomen maar dan toch later of  in elk geval nu, nu ze als waardevolle herinneringen opkomen in deze langgerekte laatste seconde.

Dit slot verleidt Heijne tot de uitpakker:

Een mens heeft een verhaal nodig wanneer het erop aankomt zijn leven een praktische vorm te geven. Anders gezegd: het verhaal, zijn wereldbeeld, geeft het leven voor hem betekenis. Maar de losgemaakte, onthechte blik laat je de essentie ervan zien. (p.89)

In de film voelt Lester in die laatste seconde verbondenheid met wat hij waarneemt en ervaart schoonheid, “heel die overweldigende schoonheid van dingen die zo onverbiddellijk koud en hard en dood zijn wanneer je oog ze niet tot leven weet te wekken”, aldus Heijne.

Met dat oog is echter wat wonderlijks aan de hand. Wie ziet en oordeelt dat het mooi is? Lester’s laatste beelden zijn gerecyclede, vergeten herinneringen en komen onwillekeurig op4. Dit en hun schoonheid maakt ze tot ‘openbaring’. Vanwaar die schoonheid? Elders twijfelt Heijne al weer en schrijft dat Lester zelf betekenis verleent aan de beelden/herinneringen, zelf schoonheid creëert. De boodschap komt niet van buiten6. Lester blijft gevangen in zijn bewustzijn.

Het stemt Heijne tevreden dat de regisseur van American Beauty niet teruggrijpt op een (voor de gelegenheid misschien opgepimpt) christendom. De tragiek blijft, Lester wordt vermoord, einde verhaal. Maar de schrale winst is dat zijn subjectief bewustzijn zich tijdens het sterven (weer) verbindt met de wereld:

Hoe houdbaar is dat nieuwe humanisme, het humanisme van het individuele bewustzijn, tegenover een wereld die als los zand aan elkaar hangt? Het lijkt nogal wankel, op het eerste gezicht, en ook niet gespeend van wishful thinking. (..) Tja. Wat die populaire films in ieder geval laten zien, zijn manmoedige pogingen om een uitweg te vinden uit het cul-de-sac van de zinloosheid in een wereld die alleen nog uit uiterlijkheid bestaat. Dat gebeurt met behulp van het enige wat een mens nog als weermiddel heeft tegen de glanzende hardheid van het oppervlak: zijn verbeeldingskracht. (p.70)

Heijne is beurtelings negatief en positief over de menselijke verbeeldingskracht, over de zinvolheid van iedere poging zin te puren uit (zelfverklaard) losse verschijnselen. De verhalen die je verbeelding spint, kunnen je inspinnen. Dan zijn de losse beelden van Lester’s sterfbed een bevrijding, verlossing, revelatie, schijnbaar afkomstig van ‘buiten’. Buiten je dwingend verhaal over jezelf in elk geval. Maar bij nadere beschouwing zijn die bevrijdende beelden product van diezelfde vermaledijde verbeelding.

Zelf vind ik het slot van American Beauty zalvend. Wie goed kijkt, ziet een goocheltruc. We zien respectievelijk:

  • Lester als jongetje op zijn rug op een veld naar vallende sterren kijkend. Dit is een bekend beeld voor geborgenheid in het universum. In The eternal sunshine of the spotless mind bemiddelen beelden van een jong liefdespaar op hun rug op het ijs een zelfde verbondenheid.
  • Gele herfstbladeren – voor mij niet specifiek te duiden, de leeftijd van Lester is hier ook onbepaald. Wel gaat het om de gele herfstbladeren van bomen dichtbij huis. Dat roept toch de geborgenheid op van kijken vanuit je kamer, vanuit een thuis.
  • de handen van oma, de huid als van papier: de broosheid van het menselijk bestaan
  • de eerste keer dat hij de nieuwe Firebird van zijn neef zag, op een leeftijd dat hij vermoedelijk zelf nog net niet auto rijden mag: esthetiek om de esthetiek (glanzende bolides, ronde vormen); belofte van toekomst, (loze) belofte van consumptie?
  • twee keer zijn jonge dochter: appel op vaderlijke zorg, liefde voor zijn dochter (niet een plastic zak, niet de hele wereld)
  • zijn vrouw lachend in een draaimolen: ‘toen de liefde nog leuk was’

De goocheltruc is dat deze beeldenrij eindigt met de very zen plastic zak, alsof samenvatting van het voorafgaande, alsof van vergelijkbare orde. Maar dat is natuurlijk niet zo. Waarna Lester in de voice-over over de schoonheid van alles in het algemeen begint te praten en zijn zelfbewustzijn opblaast door te spreken van “dingen door je heen laten regenen”. Lester houdt ons voor dat we het “someday” wel zullen begrijpen. Het staat los van zijn – en dus ook ons – “stupid little life”.

De boodschap van American Beauty komt bij mij niet aan. In een eerdere scène van de film toont de excentrieke buurjongen zijn buurmeisje, dochter van Lester, de opwaaiende plastic zak en andere ‘willekeurige’ – maar door hem gefilmde en geselecteerde – beelden. Ook hij prevelt woorden van schoonheid en een “benevolent force”. Ik zie vooral een eenzame jongen. Voor mij ‘spreekt’ in deze scène alleen het moment dat de dochter zijn hand pakt en die in de hare legt. Niet de opstuivende plastic zak (onze eigen Kopland heeft ook al eens een opwaaiende krant vereeuwigd). Ook erger ik me aan de rolverdeling: hij krijgt ruime spreektijd en zij moet – bewonderend? – luisteren.

1: Irvin D. Yalom, Scherprechter van de liefde, Pandora Pocket, 1995.
2: Elders schrijft hij:
“Toen ik pas als therapeut begon, was ik zo naïef om te geloven dat het verleden vastlag en kenbaar was. Als ik maar scherpzinnig genoeg was, dacht ik, zou ik die eerste verkeerde afslag kunnen ontdekken, dat noodlottige pad dat had geleid tot een mislukt leven, en ik zou deze ontdekking kunnen gebruiken om de zaken weer in het reine te brengen. In die dagen zou ik Marges hypnotische trance [patiënte met traumatisch verleden, die zich in een staat van zelfhypnose brengt] hebben verdiept, haar hebben teruggebracht naar haar jeugd en haar hebben gevraagd vroege trauma’s te onderzoeken – bijvoorbeeld het seksuele misbruik door haar vader – en ik zou haar hebben aangespoord alle gevoelens die ze toen had op- nieuw te ervaren en los te laten, de angst, de opwinding, de woede en het ver- raad.

Maar in de loop der jaren heb ik geleerd dat het niet de taak van de therapeut is zich samen met de patiënt aan archeologische opgravingen over te geven. Als er ooit patiënten op die manier zijn geholpen, kwam dat niet door de speurtocht en het vinden van het verkeerde pad. Een leven loopt nooit fout door het inslaan van een verkeerd pad; het loopt fout doordat de verkeerde hoofdweg wordt bewan- deld. (..) Een therapeut helpt een patiënt (..) door liefdevol bij die persoon aan- wezig te zijn, door betrouwbaar en geïnteresseerd te zijn en door te geloven dat hun gezamenlijke activiteit uiteindelijk bevrijdend en genezend zal zijn” (o.c., p.224).
3: Een droom: “De twee mannen zijn lang, bleek en heel erg mager. Ze bewegen zich langzaam en geruisloos voorwaarts in een donkere weide. Ze zijn helemaal in het zwart gekleed. Met hun hoge, zwarte hoeden, lange pandjesjassen en zwarte slobkousen en schoenen lijken ze op Victoriaanse begrafenisondernemers of drankbestrijders. Plotseling komen ze bij een pikzwarte kinderwagen met een meisjesbaby erin die is omwikkeld met zwart gaas. Zwijgend begint een van de mannen de kinderwagen te duwen. Een eindje verder staat hij stil, loopt naar de voorkant van de kinderwagen, leunt naar voren, licht met zijn zwarte stok die nu een glimmende, witte punt heeft het gaas omhoog en duwt de witte punt metho- disch de vagina van de baby binnen” (p.238 ). Heavy stuff! Maar fijn dat er zo intern en extern gecommuniceerd wordt.
4: De strekking van deze theorie lijkt me anti-religieus. Maar ‘officieel’ is er ook ruimte voor religieuze zingeving, met uitzondering van het type religie dat een beroep doet op een hogere autoriteit die gedrag voorschrijft. Officieel heeft Ya- lom geen laatste antwoorden. Tegenover de werkelijkheid kan men zijns inziens slechts ‘houdingen’ aannemen:

Men kan ‘onverschrokken’ zijn of ‘gefascineerd’; moedig opstandig of stoïcijns aanvaardend; of men kan de rationaliteit laten varen en ver- vuld van verbijstering en ontzag zijn vertrouwen stellen in de voorzie- nigheid van het Goddelijke (p.254)

Maar de religieuze houding lijkt de minst eerzame. Mogelijk bedoelt Yalom het ‘laten varen’ van rationaliteit als een legitieme geloofs-‘sprong’ ten opzichte van wat zich niet laat begrijpen – met behoud van rationaliteit op alle overige gebie- den. Maar ik denk het niet. Religie verschijnt toch vooral als magische bezwering van angst, als kinderlijk gedrag. Het waarachtigheidsgebod dwingt de therapeut hierin niet mee te gaan:

Hoewel er voor existentieel isolement geen oplossing bestaat, moeten therapeuten valse oplossingen ontmoedigen (p.18).

Het waarachtigheidsgebod stelt Yalom als therapeut overigens voor dilemma’s. Welk recht heeft hij om anderen troostende illusies te ontnemen, als hij er zelf even goed gebruik van maakt?

Kon ik bijvoorbeeld van een patiënt die mij vroeg zijn liefdesbrieven te bewaren, verwachten dat hij dezelfde problemen die ik in mijn leven uit de weg ben gegaan, wist op te lossen? (..) Moest ik harde, existen- tiële vragen stellen aan een stervende man, aan een weduwe, aan een beroofde moeder en een angstige gepensioneerde met transcendente dromen? (..) Moest ik, onder de banier van zelfverlichting, een oude vrouw haar irrationele maar steun gevende en troostende liefdesillusie ontnemen?

In kennelijke tegenspraak hiermee heeft Yalom groot vertrouwen in de heilzame werking van waarachtigheid.
5: In een andere casus haalt Yalom de woorden van een leermeester aan, die de therapeutenillusie dat zij het werk (moeten) doen relativeert, en daarmee tevens zinspeelt op een of andere groeikracht naar heelheid van de mens: “Wees er te- vreden mee dat je een patiënt helpt te beseffen wat er gedaan moet worden en vertrouw dan op zijn of haar verlangen naar ontplooiing en verandering” ( p.144).
6: Bas Heijne, De werkelijkheid, Prometheus, Amsterdam, 2004. Los van alle tekstuele ondersteuning voor de bewering dat voor ‘werkelijkheid’ net zo goed ‘existentie’ kan worden gelezen, gebruikt Heijne ook letterlijk “existentiële pijn” op een instemmende manier (p.140).
7: Wat dat betreft is het pas echt waarachtig als Heijne zich verstaat met de opmerkelijke belevenissen door Tim Parks opgetekend in zijn “waar gebeurd” verhaal Teach us to sit still. Hem overkomen dingen die doen denken aan het genezende Zelf dat Yalom veronderstelt. Heijne heeft Parks over dit boek geïn- terviewd (NRC, 27-08-2010) maar geen woord (in het gepubliceerd interview althans) over Heijne’s positie tegenover deze fenomenen, die hem behoren te intrigreren – omdat ze afwijken van hoe hij de wereld beleeft.

Dat ze hem intrigeerden verraadt een van zijn eerste zinnen: “Ik had een com- pleet ander mens verwacht, rustig en bedachtzaam, maar Tim Parks is nog net zo uitgesproken als altijd”. Toch biedt Parks voldoende materiaal om Heijne’s heili- ge huisje(s) op losse schroeven te zetten, bijvoorbeeld “tal van andere manieren om met elkaar om te gaan [dan via gepolariseerd debat]. Mijn relatie met mijn zieke moeder, een avondwandeling op het platteland, het koesteren van een pas- geboren baby, dat is allemaal oneindig waardevoller”. “Het lijkt een zoetsappig inzicht”, vervolgt Heijne hierop. Wie nu verwacht “maar het heeft me aan het denken gezet” komt bedrogen uit: “maar Parks heeft er hard voor moeten vech- ten”. Verder herhaalt Parks wat hij ook in zijn boek beweert: “In mijn roman Cleaver bleek ik mijn hele crisis al beschreven te hebben, terwijl ik hem zelf nog moest ondergaan”. Spooky!

Tegelijk weet Heijne heel goed waarover Parks het heeft: “Toch past dit boek heel goed in uw oeuvre. Vanaf het begin al probeert u authentiek bewustzijn en ijdel zelfbewustzijn uit elkaar te houden” en “De ontwikkeling die u beschrijft gaat (..) in (..) tegen het westerse denken sinds Socrates. Bewustzijn is alles, alleen het leven dat aan onderzoek wordt onderworpen, is het waard om geleefd te worden”. Ik kon het thema van mijn posting niet beter verwoorden – zie ove- rigens geen tegenstelling (het woord “bewustzijn” wordt lichtvaardig en ‘onaan- gelijnd’ gebruikt, bijvoorbeeld nu weer in een andere dan een van de minstens twee betekenissen die Heijne het in De werkelijkheid geeft).

Intrigerend vind ik de volgende zin van Parks (vast niet letterlijk door hem uit- gesproken, dus ook nog door Heijne geconstrueerd uit diens betoog): “Ik ben geen boeddhist geworden, omdat ik eerlijk gezegd niet weet wat dat is, maar heel veel noties in de boeddhistische geschriften zijn van veel waarde voor me gebleken, zoals het idee dat een vaste, onveranderlijke identiteit een verzonnen constructie is. Het klinkt ontzettend stom, want het is uiteindelijk gewoon de typisch links-liberale positie”.

Tegelijk kan Heijne zich bevestigd voelen – maar is dat boeiend? – in sommige van zijn posities: “[Ik ben ook gaandeweg wantrouwend komen te staan tegen- over de hele westerse literaire traditie, waarin] het er in de eerste plaats om gaat emoties op te roepen. Alles wordt in het werk gezet om je opwinding te bezorgen, je te laten voelen. Zo zie je jezelf ook, je leven is een verhaal, jijzelf een dramatisch personage, je bent voortdurend bezig je persoonlijkheid gestalte te geven. Op een vulgaire manier wordt dat idee uitgedragen door de reclame”.
8: In het essay ‘De omgekeerde wereld’ schrijft Heijne rechtstreeks over ‘echt- heid’.
9: In hetzelfde artikel breit Heijne verslaving als ziekte en verslaving als inzichtgevende metafoor bij Dostojewski als volgt aan elkaar: “Behalve een echte, tergende verslaving was de roulette voor hem ook altijd een metafoor. De speeltafel was het leven zelf, de schrale casino’s met hun gebladderde klatergoud stonden voor de werkelijkheid, en de roulette was een symbool voor de wanhopige pogingen van een mens om aan zichzelf te ontstijgen, aangeraakt te worden door een hogere macht”. Gebruik van verslaving als metafoor voor het falend en hardnekkig streven van de mens zin in het universum te ontdekken is één, maar zodra je het, zoals Heijne, ook over het leven in minder hoogdravend beschouwelijke zin hebt, moet je de metafoor ook onderzoeken op zijn houdbaarheid. Ik bedoel het niveau van het menselijk streven zichzelf tot klaarheid te brengen. Dat je de zin van het bestaan niet doorgrondt op een jou bevredigende manier is wat anders dan dat de redenen voor je zelfdestructief gedrag je ontgaan en je het niet stopt.
10: ‘Doodsdrift” wordt genoemd in een bespreking van het werk van Robert Mapplethorpe, de “instinctieve neiging tot wezenloosheid” in de context van massaconsumptie en massatoerisme.
11: Een jaar later gebruikt Heijne “vacuüm gezogen” nog eens, om de wereld in American Psycho, het meesterwerk van Ellis volgens Heijne, te typeren en te contrasteren met Dostojewski en Fitzgerald: “American Psycho heeft de jaren negentig moeiteloos overleefd (..). Het wordt terecht een moderne klassieker genoemd. Maar het werk lijkt ook een eindpunt; er is zoals het beroemde laatste zinnetje zegt, geen uitgang – geen verlossing à la Dostojewski, geen tragische afgang volgens Fitzgerald, maar een vacuüm gezogen wereld, waaruit geen enkele ontsnapping mogelijk lijkt”. Als ik het goed begrijp treurt hier de romanticus: “Bij Fitzgerald was de afgang tenminste nog dramatisch”.
12: De Doornvogels gok ik een beetje. Heijne heeft het over “vuistdikke bestseller[s] in de kiosken op vliegvelden en als driedelige miniserie op de televisie”. (idem, p.156)
13: Andries van Dantzig, ‘Heeft het leven zin?’, in: Mensen onder elkaar, Boom (2000)
14: Van Dantzig doelt hiermee op een vitale verbondenheid met de wereld. Stel je een geslaagde verbondenheid voor met de term ‘onbewust’, dan heeft Heijne hier een probleem, last van ‘overbewustzijn’. Hij roept dit op in de maar licht ironische laatste bijdrage in De wijde wereld: “Lezen over overgave in plaats van je over te geven. Denken over het sublieme in plaats van het te ondergaan” (p.230)

8: ”De omgekeerde wereld’, in De Werkelijkheid.
9: Heijne is in staat om het werk van Primo Levi – die uiterst feitelijk en nauwgezet Auschwitz in kaart bracht, zoals Heijne benadrukt – te bespreken onder het perspectief van de beperkingen van het realistisch verhalen, als illustratie van zijn stelling dat het persoonlijk getuigen niet vanzelfsprekend therapeutisch werkt. HIj stelt dan de vraag: zou het besef hiervan op latere leeftijd misschien niet hebben bijgedragen aan de zelfmoord van Levi? De vraag “Wat vermag fictie/kunst?” is voor Heijne kennelijk even belangrijker dan alle andere vragen.
10: Bij nadere beschouwing zijn de beelden helemaal niet zo willekeurig, alle ‘herkenbare’ betekenisvolle momenten. Zie de analyse van de slotbeelden.
6: Maar het blijft een film, niet het bewustzijn van de stervende Lester. Eén keer zien wij bijvoorbeeld Lester van boven en zien dus niet wat hij ziet in zijn ‘onwillekeurige’ herinnering: vallende sterren. Dat filmbeeld vond de regisseur waarschijnlijk te romantisch om zijn publiek voor te zetten.
7: Het correcte anwoord lijkt: zonder wereld valt er niets op te merken, niets te beleven. Het is dus de combinatie van werkelijkheid en een ‘geest’ die er ‘schoonheid’ in ziet. Ik vraag me af of niet ook voor schoonheid geldt wat opgaat voor zoveel paren: “als alles schoonheid heeft, heeft niets schoonheid”. Als niets lelijk is, verliest schoonheid zijn betekenis. Maar misschien is het wel heel Boeddhistisch om zulks te concluderen: alle onderscheidingen zijn van de misleide geest en de neutraliteit daar ‘onder’ is liefhebbend.

Hieronder wat ooit het begin van deze  posting was….

Zaterdag bezocht ik mijn moeder van 781/2. Ze heeft een huid waarin de adertjes spontaan springen, very zen. Ik houd nu toch wel rekening met haar verscheiden. Dit geeft elk bezoek een zekere spanning. Ik kijk haar intenser aan, al zijn de beelden dezelfde alledaagse. Ze worden intens door de wetenschap van de eindig- heid, zoals ook thee drinken lading krijgt wanneer je het als Theo en Thea doet bij de koningin.

Theo en Thea bij de koningin

Ik weet niet eens of ik me zo verzet tegen haar dood. Ik schaam me dermate voor die mogelijkheid – ‘hebben we het maar gehad’, ‘het moet er toch eens van komen’ – dat het mijn beleven vertroebelt. Vind ik dit nu echt of niet?

Op een bepaald moment zat ik (weer) tegenover haar, zij op de versleten bank, ik op de fauteuil, en keek langs haar heen de woonkamer in. Ik stelde me halfbe- wust voor hoe het zou zijn als ik hier nu zou zitten en zij was dood. Zij-Daar-Nu was het verschil. Wat was het verschil?

Ik kwam op niets moois, voelde niets bijzonders van opzij komen, van waar zij zat.

Ik keek haar aan. Even later kijkt ook zij mij aan. Ik moest lachen, half span- ning, half ‘domme’ sympathie. Mijn moeder, mogelijk in reactie:

“Ik zat te denken aan morgen. Als de thuiszorg komt…” Ik ben het precieze ant- woord al weer vergeten. Het ging over het zomerrooster. De wisselende inval- krachten komen ‘tussen 8 en 12 uur’ langs om haar steunkousen aan te trekken. Maar om 10 uur zijn haar onderbenen al volgelopen met vocht. Het wachten vreet energie en ze kan intussen niet naar de wc, want dan kan de thuiszorg aanbellen en dan moet ze open doen en dat vraagt minuten. Op een gegeven moment trekt mijn moeder dan toch zelf de steunkousen aan, ondanks haar arthrose en een ge- voelloze arm. Waarna ze de hele dag steken in haar polsen heeft en naar de elle- boog uitstralende pijn.

Deze scène leert mij mijn zelfvervuldheid. Terwijl ik existentieel filosofeer over wat ik voel, vergeet ik mijn moeder als concrete persoon. Háár gepeins in deze tussentijd treft me als banaal, op de manier dat het mij naar beneden haalt. Pas in tweede instantie ‘maak ik verbinding’ en kan me voorstellen hoe rot zo’n och- tend verloopt, met een gezwollen poot, afhankelijk van ondersteuning en on- machtig iets te bewerken.

Advertenties

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: