Goedgemutst


Gisteren bezocht ik mijn jongste broer op de open middag van zijn beschermde woonvorm. Hij woont er nu een jaar, het was mijn eerste feest.

Tien jaar geleden werd de diagnose ‘schizofrenie’ bij hem gesteld. Hij was toen 34. Dat is rijkelijk laat. Maar dat past bij het beloop in zijn geval: een langzaam maar gestaag verval.

Enkele jaren op weg in zijn nieuwe status van volledig afgekeurde man met er- kende ziekte was hij inmiddels zeer aangewezen op ondersteuning van familie, professionele begeleiding, buurtgenoten en een enkele vriend uit het verleden. Niet dat hij het zo ervoer. Toen ongeveer werd ik bang voor mijn antwoord op zijn onverhoedse vraag (zo verbeeldde ik mij): wat is de waarde van mijn leven nu nog, voor wie voeg ik iets toe?

Een niet te loochenen werkelijkheid is dat wederkerigheid in het contact met mijn broer ontbreekt. Wederkerigheid is belangrijker voor de instandhouding van een relatie dan je denkt of wel zou willen. Mijn broer weet weinig van mijn leven de afgelopen twintig jaar en is niet in staat tot ‘meeleven’. Hij dwaalt binnen enkele seconden af en verandert van onderwerp. Ik ervaar verbondenheid op de momen- ten dat hij me open toelacht.

Dat deed ik althans. Ik heb inmiddels mijn twijfels, zoals men kan twijfelen aan de liefde van een kat. In zijn sporadisch opduikende variant van een partnerwens maakt mijn broer nauwelijks onderscheid tussen de behoefte aan een huishoud- ster, verzorgster en partner. Hij is mijn moeder gewend.

Ook het contact met zijn familie lijkt soms functioneel, bedoeld om een of ander innerlijk evenwicht te helpen herstellen. Zo kan hij tevreden zijn met het inspre- ken van het antwoordapparaat. Hij werd eens kwaad op mijn oudere broer toen die de telefoon opnam; hij had het antwoordapparaat willen spreken!

Toen ik me die lastige vraag naar de waarde van zijn leven stelde, had ik voor mensen met een verstandelijke handicap een antwoord klaar, gebaseerd op Paul de Leeuw kijken: verstandelijk gehandicapten leven de waarde voor van simpele directe ‘menselijkheid’, contact maken, warmte.

Maar die biedt Peter niet. Gistermiddag schooierde hij over de binnenplaats, in zijn eigen wereld, een nadenkende frons op zijn gezicht. Sommigen riepen “Lach eens, Peter!”. Dan zette hij zich neer op een bankje of schoof aan bij een tafel- tje en at gedachteloos de voorhanden zoutjes, alsof van buiten gestuurd, reage- rend op prikkels, niet in staat ze te kanaliseren of weerstaan.

Het feest werd luister bijgezet met feestmuziek, veelal Nederlandstalig. Sommige medebewoners waagden zich voorzichtig aan een dansje, gestimuleerd door de begeleidsters. Veel bewoners haakten na een korte inspanning af, om later aan een nieuwe ronde mee te doen. Sommigen dansten in hun stoel.

Hun gedrag beantwoordde mijn vraag naar de waarde van sommige levens met forse beperkingen. Minstens roerden hun zelfacceptatie, taaie overlevingskunst of soms levenslust me.

  • Een vrouw – naar gebruikelijke maatstaven fysiek flink ‘uit vorm’ – zong naar hartelust het refrein van “O, O Den Haag” mee met de begeleidings- dvd, microfoon in de hand, voorgenietend als het refrein eraan kwam. De boodschap: accepteer jezelf en doe het met wat je hebt.
  • Een vrouw van eind twintig, begin dertig, zeer versufd overkomend, waagde zich een paar keer in de dansende massa. Ze hield het robotachtige van ie- mand zwaar onder de antipsychotica maar ze ging. Haar moeder keek haar stralend aan.
  • Een huisgenote van mijn broer, eind vijftig, met een bochel en benen als luciferstokjes, danste een paar keer, gearmd met een begeleider. Ik ken de vrouw nauwelijks maar ze heeft iets met sieraden. Ze droeg vele ringen en had zich omhangen met kettingen. De kleuren waren goed op elkaar afge- stemd. Het deed iets vermoeden over ‘vroeger’ en wekte de indruk waar- digheid te willen uitdrukken.
  • Een andere huisgenote van mijn broer bleek in dezelfde buurt als ons te zijn opgegroeid en op dezelfde lagere school te hebben gezeten, een paar klassen onder Peter. Haar leven nam een aparte afslag en zo zat ze hier, met drie kinderen, van wie ze met twee het contact had verloren na de scheiding van haar man. Ze herstelde van een opname en hoopte via deze tussenstap door te stromen naar begeleid en uiteindelijk begeleid zelfstandig wonen. Ze was sereen, vriendelijk, kwetsbaar/gevoelig en danste ‘dapper’ – haar zwaarlij- vig lichaam aan wie weet afkeurende blikken blootgesteld.

Ik probeerde Peter te verleiden samen met mij te dansen. Hij reagerde afwij- zend:

  • “Ik ben geen homofiel!”.
  • (Bij een tweede poging, iets later:) “Als je geen zin hebt, moet je zin ma- ken!”. Een van de zinnen die mijn moeder hem vroeger voorhield, nu mij boos voorgehouden, alsof ik hem in mijn zak kon steken.

Peter trok zich vervolgens terug op zijn kamer. Ik ging nog even bij hem langs toen het feest afgelopen was, om 19 uur. Hij lag in bed. Hij zei: “Ik heb mijn tanden gepoetst, zonder tandpasta”.

Op zich kon ik zijn gedrag plaatsen, wanneer ik het begreep als dat van zoveel mensen van middelbare leeftijd, wie daagt dat prestaties achterblijven bij ver- wachtingen. Daarmee moeten velen in het reine komen. Ik ben niet geneigd mijn broer daarvan te willen ontlasten, ondanks zijn kapotte mentale machinerie.

Zijn slappe praat en uitvluchten ergerden me en kunnen niet verexcuseerd met zijn ‘schizofrenie’. De uitvluchten waren zo simpel, dat het geen twijfel leed: hij verzon ze ter plekke. Vooral het schaamteloze, het gebrek aan gêne, stoorde me. Hij stopte energie in de uitvlucht in plaats van de oplossing.

Het in stand houden van zijn “midlife crisis”-illusie vereist het afgeven op zichzelf en anderen. Op mensen met ‘maar’ een Mavo-opleiding (laat staan er- ger). Hij meent – op basis van een uitslag van een test van lang geleden, door zijn bedrijf aangevraagd toen zijn presteren achterbleef bij zijn HEAO-niveau – van ‘laag Mavo’-niveau te zijn. Dat betreurt hij zeer. 

De aanblik van een man die zichzelf niet accepteert is niet prettig. Vervelend wordt het als hij de enige is die het doet, daarin volhardt en zijn illusie-ik onder andere in stand houdt door naar beneden te trappen.

Peter zit in de ontkenningsfase en ‘sleept iedereen mee’. Hij doet het overigens veel meer als er familie op bezoek komt. Ik gun hem acceptatie van de boodschap voorgeleefd door sommige van zijn medebewoners: Ik heb hier niet om gevraagd. Ik ben hier. Zet de muziek aan!

Daar kan ik ook nog wat van leren.

Advertenties

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: