Bromsnor


Bas Heijne heeft in zijn nieuwe bundel columns en essays Harde Liefde teveel van het zuur dat hij bestrijdt. Ook zijn pessimisme vraagt om motivering. 

Bas Heijne is al jaren een van de weinige opiniërende schrijvers door wie ik mij laat stichten. Zijn literaire of muzikale tips in de NRC trokken het eerst mijn aandacht. Ze brachten me o.a. de geweldige roman Destiny van Tim Parks en de Lou Salomé suites van Sinopoli1. Ook herinner ik mij een prachtige recensie van de cd Older van George Michael (1996, ik heb het opgezocht).

Gewicht als denker kreeg hij voor mij pas met De wijde wereld (2000). Daarin nam hij voor mij het stokje over (want als een wisseling van de wacht voelde het) van de H.J.A. Hofland-generatie, zoals Freek de Jonge – een van de zwarte schapen van Heijne, overigens – het twintig jaar eerder op zijn gebied had ge- daan.

Die bundel begint met een geweldsincident waarvan Heijne getuige is, in zijn Amsterdam. Schokken zulke gebeurtenissen bij anderen soms de ‘just world‘-hypothese, bij Heijne lijkt de esthetische sluier te scheuren, de verleiding je te hullen in grote woorden die de werkelijkheid van je af houden2. Mij gaf het een schok van ‘werkelijkheid’, alsof beginselverklaring van iemand die zich bekent tot de dingen zoals ze zijn, niet zoals je wenst dat ze zijn.

Het tweede voorval, direct erna beschreven, maakte nog meer indruk:

In het vliegtuig waarmee ik diezelfde zomer ’s nachts van Hongkong terugvloog naar Amsterdam, werd ik uit een ongemakkelijke halfslaap gewekt door een ijskoud gevoel van angst. (..) De emotie was overwel- digend. In het vliegtuig was het donker, de meeste mensen sliepen. Naast me snurkte een Taiwanees die naar muffe truien rook. We vlo- gen ergens boven Siberië. Ik was slaapdronken, had geen greep op mijn bewustzijn, maar wat ik voelde was, denk ik nu, oneindigheid – de on- eindigheid van een leegte. Niet eerder had ik me zo nietig gevoeld, zo verlaten ook. Vechtend tegen de paniek ging ik rechtop zitten. Mijn handen knepen in de stoelleuningen.

Na een paar minuten was het voorbij. De rest van de twaalf uur du- rende vlucht voelde ik me uitstekend, opgewekt. (..) Mijn paniekaan- val was niet alleen voorbij, een paar uur later kon ik me die niet eens meer goed voorstellen. En toch was ik even doodsbang geweest”.

Heijne hing even tussen hemel en aarde, zowel letterlijk als figuurlijk, en getuigt van een soortement existentialisme.

In een vorige posting verkende ik in hoeverre uitspraken over de betekenis van kunst in De werkelijkheid, een andere essaybundel van Heijne, een op een o- verzetbaar zijn in uitspraken over de mogelijkheid van betekenisverlening van het individuele leven.

Toen al vielen me sommige vaagheden op, zoals Heijne’s los en conventioneel gebruik van Freud en Nietzsche (instinct, doodsdrift, narcisme, verlangen naar wezenloosheid, hoewel dat laatste minder Freud/Nietzsche dan ‘materialisme’ is (volgens Heijne) – tenzij materialisme natuurlijk zelf wordt aangedreven door Freudiaanse/Nietzscheaanse motieven).

Die vaagheid was er, achteraf gezien, ook eerder. De ervaring in het vliegtuig, bijvoorbeeld, beschrijft Heijne als “ijskoude doodsangst” maar ook “claustrofo- bie, vliegangst of heimwee, of een mengeling van alle drie” (De wijde wereld, p.11). Het lijkt precisie maar de laatste drie reduceren of ontkennen het eerste.

Heijne noemt zijn vliegtuigervaring “minder tastbaar maar persoonlijker” dan het getuige zijn van het geweldsincident. Tegelijk eigent hij zich de angst niet toe. “Vliegangst” is even “persoonlijk” als hooikoorts.

Ik weet dat angst ‘invasief’ kan zijn, de beleving vullen kan en tegelijk ongericht zijn. Dat draagt juist bij aan de angstige beleving. In die zin is “persoonlijk” rekbaar, en bij angst nog weer anders dan bij verliefdheid, die ook “invasief” kan zijn. Bij angst lijkt de “persoon” soms te desintegreren.

Niettemin vind ik – nu – Heijne zich te gemakkelijk – en onovertuigend – onthech- ten van wat hij én onthouden heeft én indringend genoeg achtte om te selecte- ren voor zijn beschouwing. Had Heijne liever preventief een pilletje geslikt? Of is deze ervaring toch betekenisvol, zonder afwimpelen?

Mijn eerste reactie op Harde Liefde, een bundeling columns uit de periode 2005 – 2010, is een voortzetting van die op De werkelijkheid. Opnieuw geregeld die va- ge, vage dieptepsychologie. Maar in combinatie met Heijne’s veelvuldig gemop- per en de wanverhouding tussen forse kritiek en ontbreken van ook maar het be- gin van een oplossing voor door Heijne geconstateerde ‘diepe’ problemen, be- gon het me te ergeren.

Heijne mist in Nederland visie, politici die verbinden, een antwoord formuleren op de grote identiteitsondermijnende krachten van immigratie en globalisering. Burgers zijn volgens hem laf, laten tegenstrijdigheden in hun opstelling voortbe- staan, leggen de schuld bij anderen. Van iemand die zo’n diagnose stelt en daar- bij termen als hysterie, narcisme en ressentiment niet schuwt, verwacht ik meer – of matiging van toon.

Afgelopen week heb ik alle voorbeelden van ‘de bromsnor’, ‘columnistengedrag’, ‘aanmatiging’ en ‘de dunne beschouwing’ in de eerste secties van de bundel op een rij gezet [hierna heeft deze tekst diverse redactieslagen ondergaan]. Oordeel zelf.

  bromsnor

Hoewel Heijne op zijn tijd afgeeft op de ‘cultuurpessimist’, gebruikt hij zelf de nodige ‘Nederland gaat achteruit’-zinnen.

  • Vroeger….maar in een tijd waarin Pim Fortuyn de grootste Nederlander en Driek van Wissen de Dichter des Vaderlands konden worden… (p.17)
  • Een uur in de trein tijdens de spits en de elektronische humor [ringtones] brengt je tot de rand van de waanzin (p.21)
  • Nu…iedereen steeds meer op elkaar dreigt te gaan lijken…Nu onze natie bijna niet meer bestaat… (p.24)
  • Niet voor niets bloeit naast de nostalgie ook de historische parallel. Er kan niets schokkends gebeuren of er komt een historicus op de opiniepagina melden….(p.25)
  • Ik heb niets tegen spelletjes met feitenkennis
    , maar er wordt in Nederland de laatste tijd… – een beetje misselijk word je ervan (p.26)
  • Zo’n Hollandse doorbraak waar je na de eerste euforie nooit meer iets van hoort (p.29)
  • Dat die idealistische jaren een mengeling van goed en kwaad zouden kunnen zijn…Zestig jaar na de bevrijding ben je in Nederland nog altijd helemaal goed of helemaal fout (p.31)
  • Twintig jaar geleden…tegenwoordig word je voortdurend geacht op een verantwoordelijke manier te manoeuvreren tussen je persoonlijke aan- driften en die van je medemens (p.32)

        De bromsnor-formule met “tegenwoordig’ is zelfs inzetbaar als het ‘verle-
        den’ nog maar twintig jaar achter je ligt. Ook hoef je niet te suggereren
        dat alles vroeger beter was – dat doet Heijne hier ook niet3. Mijn reactie,
        ongeacht de aangekaarte kwestie: zeur niet.

  • IJdele hoop in een tijd waarin geklier van opgeschoten jongeren consequent wordt aangeduid als ‘straatterrorisme’ en er vanuit Den Haag geëist wordt dat in de grote steden stante pede een avondklok wordt ingesteld, omdat ze daar zeker weten dat er in de buurt van Bert en Marja een heuse burgeroor- log woedt (p.63)

        Heijne’s ijdele hoop is dat anderen narcistische zelfvergroting achterwege
        laten.

  • Het bedrijf [NS], dat maar niet in staat blijkt de vertragingen naar een aan- vaardbaar niveau te brengen…(p.65)
  • In welk ander land is het denkbaar dat een advocaat die zichzelf serieus neemt, als medepresentator plaats neemt in een programma dat shownieuws als wereldnieuws brengt, en wereldnieuws als shownieuws? (p.133)
  • Hollandse criminelen en Nederlandse topadvocaten zijn altijd pijnlijk zicht- baar omhooggevallen. En omdat een groot deel van Nederland inmiddels een beetje omhooggevallen is en de rest ervan droomt ooit nog eens omhoog te vallen, zijn zowel criminelen als topadvocaten in Nederland mateloos popu- lair. Net zoals die half bekende ijsdansers en vaag bekende ballroomschuife- laars – dat zijn stuk voor stuk BN’ers die die status eigenlijk niet verdienen, en juist dat verklaart hun succes. Als zij omhoog kunnen vallen, dan kan ik het ook. Nederlanders zijn dol op beroemdheid, zolang die maar op niets is gebaseerd. (p.134)
  • Vroeger zag je nog wel eens een BN’er door een uitgedroogd landschap sjokken of liefdevol onthaald worden in een rieten dorpje met magere kinderen, tegenwoordig staan ze alleen nog maar voor de spiegel (p.136)
  • Ikzelf houd ook erg veel van moraal. Iets minder houd ik van morele zelf- genoegzaamheid – en die twee gaan, vooral in Nederland, onverdraaglijk vaak samen. (p.142)

  columnistengedrag

Gemakkelijk, zonder veel argumenten, op anderen afgeven.

  • Symptoom van die nieuwe [nieuw rechtse] behoefte [aan een stevig zelfbe- wustzijn] is een intens verlangen naar de doodstraf, zoals veelvuldig geuit door Patrick van Schie, directeur van het wetenschappelijk bureau van de VVD  en – het zou eens niet – ook door Leon de Winter (p.126)
  • in een tijd waarin Pim Fortuyn de grootste Nederlander en Driek van Wissen de Dichter des Vaderlands konden worden (p.17)
  • Ik weet het, je moet oppassen met oproepen tot kunstenaarsengagement – straks stelt Ronald Giphart zich ergens kandidaat voor (p.27)  


W.F. Hermans  aanmatigend

Minzaamheid, meewarigheid. Zinnen waarin Heijne iets al lang wist terwijl an- deren maar doorgingen op een platgetreden pad; of waarin hij anderen voor- stelt als kakelende kippen en het wijze/moede/iets te zelfingenomen hoofd schudt4.

  • De Nederlandse historici en cultuurcritici struikelen over elkaar heen om te waarschuwen voor… (p.22)
  • Je moet er even op wachten, maar aan het slot van het artikel komt onze nationale historicus toch nog even om de hoek kijken. Geen opstel over de vaderlandse geschiedenis zonder een citaat van Huizinga (p.23)
  • Het heeft me altijd verbaasd dat de Nederlandse politiek totaal voorbij is gegaan aan de enige les die ze van Fortuyn had kunnen leren (p.39)
  • In het NOS Journaal kwam de zoveelste socioloog vertellen dat Nederland aan het verkruimelen is, dat de burger zich niet langer een deel voelt van een groter geheel (p.51)

       Heijne komt zelf ook niet verder dan ‘wezenloosheid’, dan een algemene
        ‘innerlijke weerspiegeling’ van de sociologische buitenblik.

  • Sinds jaar en dag wordt er geroepen dat Nederlandse schrijvers zich meer met de maatschappij zouden moeten bemoeien. Ik zou zeggen: niet aan- moedigen (p.60)

        Heijne’s reactie op een overspannen tekst van de schrijver Wessel te
        Gussinklo.

  de dunne beschouwing

Reageren op of verwijzen naar interessante artikelen in de Volkskrant of NRC van enkele weken terug. Conclusies zonder argumentatie. Vage dieptepsychologie.

Synopsis van de column ‘Wie heeft er hier de leiding’. Bewering: de vele enquê- tes en verkiezingen rond leiderschap zijn uiting van ons onbevredigd verlangen naar verbinding.

1. Verkiezingen en peilingen van beste leiders e.d. zijn niet wat ze lijken.

  • Niemand neemt ze serieus.
  • Wel is er behoefte aan. Redacties van tijdschriften, bijvoorbeeld Time in de VS, blijven ze maar laten houden, dat doen ze niet voor niets. Het zijn er erg veel. Maurice de Hond heeft erdoor tot nationale figuur kunnen uitgroei- en. Ook vullen mensen die enquêtes in.

Conclusie: “we” zijn obsessief bezig met leiderschap. En zeg je ‘obsessief’, ‘te’, dan weet je: dit is symptoom van iets anders.

2. Wat de vele verkiezingen en peilingen ook uitdrukken is een feitelijk gebrek aan overtuigend en bestendig leiderschap. De wispelturige stemmende burger is de baas, koning klant.

3. Symptoom zijn ze (de vele verkiezingen en peilingen) van een “zeurende” behoefte aan leiderschap.

  • Ja, we hebben een behoefte aan het bestaan van leiders, aan het idee dat we er niet alleen voor staan. We willen leiders.
  • Thomas L. Friedman stelt in The World Is Flat iederéén voor als ondernemer en daarmee leider. Hij mist het echte probleem: globalisering, de verwoes- tende effecten ervan. Globalisering verstoort oude verbanden, versnippert en polariseert soms gemeenschappen en creëert zo het verlangen naar een vervangend verband groter dan het ik, naar een “vastomlijnde identiteit”.

        Friedman’s model van leiderschap is het individueel runnen van een on-
        derneming. Dat model kan ook toegepast op het runnen van een natie.
        Leiderschap komt neer op je kunnen aanpassen aan veranderende om-
        standigheden. Maar leiderschap is meer.

        Friedman beperkt zich tot de winnaars van de globalisering. Dit model
        stemt niet overeen met de werkelijkheid. Een ondernemer heeft perso-
        neel (niet iedereen is de ‘ondernemer’). Ook zijn er de verliezers van de
        globalisering.

        Daarbij zijn de onderlinge contacten tussen de bewoners van Friedman’s
        ideale wereld schraal (banden bestaan “uit glasvezelkabels”).

        Friedman biedt geen oplossing voor het probleem van het ontbrekende zin-
        vol groter verband. Hij ziet dit probleem niet. Maar daarom is het er wel.

4. Maar het “zeurt” omdat onder de behoefte aan leiderschap het verlangen naar verbinding ligt. “Leiderschap” kan dat verlangen nooit bevredigen. [Dit blijft im- pliciet maar is mijns inziens verondersteld]

5. Hoewel er toch ook een ‘echte’ behoefte aan leiderschap is. Maar daar “zeurt” dat werkelijk leiderschap inbinden van de burger, soms niet inwilligen van je verlangens vereist:

  • De burger stelt zich op als consument en ziet de leider als product: peilin- gen/verkiezingen zijn een permanente buitenparlementaire volks-/consu- mentenraadpleging. De parlementaire democratie versterken ze niet.
  • De burger accepteert geen macht boven zich, leider noch moraal.

6. Twee dominante ideaaltypen van een leider – de bindende leider en de onaf- hankelijke leider die zich voor het publiek belang inzet – getuigen van dit span- ningsveld:

  • de bindende leider – type Tony Blair – is de held van de populariteitspolls. Populariteit behouden dwingt haast tot mensen permanent een goed gevoel geven, ze niet tegenspreken.
  • de onafhankelijke leider, die zich van het volk niets aantrekt (maar wel van het publiek belang), dreigt weggestemd te worden.

7. Het Nederlandse volk:

  • is wispelturig en vluchtig in zijn voorkeuren: de ene week verklaart men in een peiling D66 te stemmen, de week erop, na een of ander gebeurtenisje, al niet meer. “Na verloop van tijd krijg je een oprechte hekel aan de Neder- landse kiezer”.
  • verwart leiderschap consequent met beroemdheid (‘vandaar’ de vele polls en peilingen).

Commentaar:

  • Het symptomatisch feit van de vele polls heeft nu twee verklaringen: de be- hoefte aan leiderschap (of eigenlijk: het onderliggend verlangen) én de ‘be- hoefte’ de populariteit van de leiders te meten. Ze verzwakken elkaar’s kracht, dus ook die van het verondersteld ‘onbewust’ verlangen.
  • Het thema ‘beroemdheid’ compliceert het thema van onze dubbelzinnige houding tegenover leiderschap. Willen we dwepen (Heijne noemt beves- tiging willen, naar de mond willen worden gepraat)?
  • Heijne lijkt te leunen op een of andere dieptepsychologische interpretatie van ons huidige, halfslachtige verlangen naar een leider. Hij stelt het voor als ‘onvolwassen’ wensbevrediging. We verlangen een ‘vader’ die de weg leidt en kunnen tegelijk niet uitstaan geleid te worden (de onafhankelijke leider) en frustratie verdragen we ook al niet. Met de populaire leider on- derhouden we een spanningsloze fantasierelatie (vader geeft ons altijd gelijk). In beide gevallen zijn we ‘kind’ / ‘puber’, geen (neorepublikeinse) burger. Waarom eigenlijk?
  • Heijne: “Wanneer een samenleving door en door is geïndividualiseerd, wie zorgt er dan voor het algemene, voor de samenleving zelf? Wie neemt ver- antwoordelijkheid voor zaken die buiten zijn eigen beperkte belevingswe- reld liggen, voor belangen die niet zijn eigen belang zijn?”.

        Dit is platitude (maar consequentie van Heijne’s betoog). Beperking van
        Heijne’s analyse is mijns inziens zijn onbeargumenteerd pessimistisch
        Freudianisme. “Eigen beperkte belevingswereld” neemt bij Heijne de
        kleur aan van Freudiaanse wensbevrediging, geringe realiteitstoetsing.
        En ook de winnaar van de globalisering, de ondernemer-burger, heeft
        trekken van iemand die half in een fantasiewereld leeft – in werkelijk-
        heid is zijn innerlijk en sociaal leven armoedig.

        Heijne voert een jonge advocaat op die, op een feestje, voorstelt het kies-
        recht te beperken tot mensen die een voldoende financiële bijdrage aan
        Nederland leveren. Voor Heijne is het een voorbeeld van Friedman’s “ont-
        ketende” wereldburger. “Zijn lukraak voorgestelde aanpassing van de Ne-
        derlandse democratie (..) begreep hij (..) als een oprechte aanzet tot een
        oplossing. Zijn taal beschouwde hij, ben ik bang, als de taal van een echte
        leider”.

        Ik kan me voorstellen dat zo iemand je somber stemt en doet twijfelen of
        een weerwoord zin heeft. Maar je zult het toch moeten geven. En waarom
        is het eigenlijk zo moeilijk? Er is toch een echte behoefte aan verbinding?
        Die voelt de jonge advocaat toch ergens, zoals die hem ook ertoe brengt
        vele leiderschapsenquêtes in te vullen? Waarom zo pessimistisch?

        Stellingnames als die van de jonge advocaat vind ik moeilijk te duiden.
        Feitelijk staat hij model voor ons allen. Heeft hij dit standpunt “omdat”
        hij het nodig heeft voor zijn psychisch evenwicht? Is het gebrek aan ken-
        nis, waardoor hij de zwaktes van zijn positie niet ziet? Wat is waan, wat
        gebrekkig inzicht? Wat kan veranderd?

        Ook anderszins heeft Heijne het pessimisme ingebouwd. Mij lijkt het
        verstandig om het ogenschijnlijk heldere onderscheid tussen ‘eigenbe-
        lang’ en ‘algemeen belang’ te compliceren. Eerzucht (‘eigenbelang’) van
        een individu kan bijvoorbeeld de maatschappij ten goede komen, niet
        door een ‘onzichtbare hand’ maar omdat de eerzucht pas bevredigd
        wordt na het neerzetten van een publiek erkende prestatie.

        Verklaar je alle loftuitingen per definitie lippendienst, dan sluit je mensen
        op in een private, solipsistische wereld. Iets dergelijks doet Heijne met
        zijn veronderstelling dat mensen hun “eigen beperkte belevingswereld”
        afschermen tegen informatie daarmee niet in overeenstemming.

        Gevolg van zijn standpunt is dat ook ‘eigenbelang’ in beginsel verstoord
        waargenomen kan worden. er is geen (al dan niet rauwe) “natuur” die voor
        zichzelf spreekt. Zo wordt uitwisseling met anderen en de ‘(objectieve)
        werkelijkheid’ wel erg ingewikkeld. Hoe ziet Heijne dat eigenlijk: van
        waan tot werkelijkheid, inzicht komen? Hoe is een Heijne mogelijk? 

        Nog eens herhaald: als de behoefte aan gemeenschap reëel is, waarom
        legt hij dan zo weinig gewicht in de schaal? Waarom wordt werkelijke
        bevrediging (in plaats van fantasiesurrogaten) tegengewerkt? Of is de
        mens in zaken van “identiteit” buitengewoon onkritisch (je kunt het zo
        mal niet bedenken, of het is goed, als je maar ergens bijhoort)?

        De werkelijke kwestie lijkt mij uiteindelijk moed en lafheid – waarachtig-
        heid. Dat geldt iedereen: politici, publicisten, ondernemers, etc. Hoeveel
        werkelijkheid een mens kan verdragen is een open vraag. Heijne is te im-
        pliciet en gemakzuchtig pessimistisch.

Verslaafd aan verlies (p.11-14)

NRC Handelsblad had een tijdje geleden een bericht op de voorpagina waarin een wetenschappelijke ontdekking werd verkondigd: mensen kunnen verslaafd raken aan hun eigen verdriet. (..) De patiënt wil niet beter worden. Zijn verdriet is zijn houvast” (p.14).

Met deze dieptepsychologische conclusie eindigt Heijne zijn inleidende stuk. Hij heeft net, met een enigszins verdacht overkomende bescheidenheid (ik kan het ook), gezegd dat de thema’s ‘(nationale) identiteit’ en ‘moraal’ in 2001 in de lucht hingen en zijn keuze ervoor dus niet heel bijzonder was. Vervolgens beticht hij ‘links’ van smetvrees voor de behoefte aan identiteit, en populistisch rechts van een nostalgisch verlangen en paranoïde angst. Daarop volgt dan de opstap naar bovenstaande, volgende dieptepsychologische duiding.

De discussie over deze onderwerpen gedurende het afgelopen decennium heeft volgens Heijne vooral woede en verdriet opgeleverd en daar heb je misschien de reden dat we in Nederland niet verder komen op dit dossier: “Iedere poging om die woede te kalmeren en het verdriet te sussen heeft alleen nog maar meer woede en verdriet operoepen. Het begint een beetje verdacht te worden” (p.13-14).

Als het gepostuleerd authentiek verlangen deel uit te maken van een groter ge- heel alleen fungeert als stok om de hond mee te slaan, en iedere concrete mani- festatie van dit verlangen als vals wordt afgewezen, houd je Bromsnor over.

De fatsoenlijke volgorde bij dieptepsychologische duidingen is eerst begrijpelijke motieven voor iemand’s handelingen zoeken en dan pas, als geen bevredigende verklaring te vinden is, alternatieve te overwegen. En dan nog is begrijpen niet veroordelen.

Heijne gebruikt de media – wat hij over medelanders leest, ziet of hoort – teveel als vulkanische ondergrond waaruit onderbewuste maatschappelijkpsychologische dampen oprijzen. Zijn cultuurpsychologische duidingen lijken op de HP De Tijd uit de periode dat die om de paar paar jaar een nieuwe “generatie” afkondigde. Wat dat betreft “zag” Heijne in 2000 ook al van alles:

Want kijk om je heen en je ziet het: de grote woorden zijn weer over- al. (..) Zet’s avonds de radio aan en je valt midden in een tweegesprek over het kwaad in de wereld (..). Zap wat heen en weer op televisie” – enzovoort (De wijde wereld, p.15)

Zoals eerder gezegd, Heijne’s geringschattende opmerking “In het NOS Journaal kwam de zoveelste socioloog vertellen dat Nederland aan het verkruimelen is, dat de burger zich niet langer een deel voelt van een groter geheel” is ook op hem van toepassing.

Ook vanuit de leunstoel komt Heijne tot vergaande conclusies. Zo concludeert hij tot “gettonarcisme” (p.67) op basis van het bekijken van foto’s van jongens uit de Parijse banlieu. Een tweede duiding “Die Franse foto’s (..) tonen de haat van de kanslozen” (p.70) zou best waar kunnen zijn, maar je kunt er mijns inziens niet toe concluderen op basis van deze foto’s.

Wat je niet ziet (p.59-62)

Heijne behandelt de Nederlandse reacties op de Deense cartoonkwestie en is wederom een verborgen betekenis op het spoor. “Er wordt vreemd genoeg niet verwezen naar de Fassbinderaffaire, die een jaar aan de Rushdie-affaire voor- afging”.

  • Heijne licht niet toe waarom dat vreemd is. Het feit dat in de Nederlandse discussie wel naar de Rushdie-affaire is verwezen, is geen argument. Mis- schien was die vergelijking passend en die naar Fassbinder niet. Heijne vindt de Fassbinderaffaire de betere vergelijking. Dat mag hij proberen aannemelijk te maken.
  • In de Fassbinderaffaire gaf een betrokken activist naderhand toe, dat het actiecomité de Joodse gemeenschap, de Nederlands-Joodse identiteit, een stoot vers bloed had gegeven. Zo ook gebruikten de islamisten de cartoon- kwestie om de bedreigde moslimidentiteit te versterken, aldus Heijne. Maar in Nederland is dit kennelijk niet aangeslagen. Dit kan slechts twee dingen betekenen: (a) de Nederlandse moslims zijn vernederlandst, liggen niet wakker van eeen cartoon meer of minder (b) “bij velen van hen [is] de des- illusie over de Nederlandse samenleving zo groot dat men zich niet eens meer geroepen voelt om boos de straat op te gaan om de eigen identiteit te bevestigen”.

        Dit vals dilemma gebruikt Heijne, vrees ik, om zijn column een beetje dra-
        matisch af te sluiten (“Ik hoop het eerste, ik vrees het laatste”). Het blijft
        een vals dilemma (een reeks redenen kan verklaren waarom het moslim-
        protest was wat het was) en een dunne redenering.

        Ik stoor me meer aan “vreemd genoeg”. Zoals in zinnen met “tegenwoor-
        dig” de Bromsnor in Heijne het woord neemt, doet bij zinnen met ‘vreemd’
        de ongediplomeerd Freudiaan het.

Gevarieerd geschimp

  • Het gedweep met de belevingswereld van de goeroes [Costera Meijer over wat de krantenlezer wil, Pieter Broertjes als dweper] is niets anders dan het oud-linkse, verbeten egalitarisme in een nieuw jasje. (..) Die belofte van zelfbeschikking [van de krantenlezer/consument] is een commercieel han- digheidje (..) niets meer dan dat” (p.81)

        Iets met nadruk zeggen (“niets anders dan”, “niets meer dan dat”) maakt
        het niet overtuigender. Heijne keert zich in deze column, m.i. weinig
        diepgravend, tegen de verheerlijking van de consument. Omdat hij deze
        verheerlijking koppelt aan linkse types uit de jaren zestig, krijgt zijn co-
        lumn trekken van een persoonlijke afrekening. In reactie op dit consumen-
        tendenken heeft Heijne van de weeromstuit enig ‘geloof’ in de krantenle-
        zer/medeburger (‘juist jonge Volkskrant-lezers zijn dol op Jan Blokker’).
        In deze column is de ironie bij Heijne ver te zoeken. Maar voor iemand
        die zich kwaad maakt, is de inhoud weer te mager: Broertjes krijgt te ho-
        ren dat hij talentloos is.

  • …de tijdgeest. Die kent geen persoonlijkheden meer, individuen die iets bedenken waardoor andere mensen op ideeën worden gebracht, maar uit- sluitend marktadepten die commercieel inspringen op wat leeft (p.47).
  • Terwijl de Volkskrant dacht mee te delen in de publieksgunst door Talpa een warm en enthousiast onthaal te geven op de voorpagina (p.49)
  • Niemand die vaststelde dat het misschien wel redactioneel nattevingerwerk was geweest, dat vooral tegemoet wilde komen aan een behoefte bij de lezer: het idee dat er leiders onder ons zijn (p.52)
  • Heijne past het hellend vlak-argument toe op nieuw rechts. Het is niet ongewoon neoconservatieven te betichten van maakbaarheidsdenken, in tegenspraak met de conservatieve traditie. Heijne reageert op plannen van Leefbaar Rotterdam-wethouder Van den Anker. Die stelt gedwongen abortus voor bij zwangere vrouwen van wie je ziet aankomen dat ze geen goede moeder zullen kunnen zijn, zoals verslaafden,verstandelijk gehandicapten en Antilliaanse tienermoeders. Heijne:

Dit is geen hellend vlak, dit is een afgrond. (..) Met zulke obsessies is het een kwestie van tijd voordat Van den Anker plotseling bedenkt dat gedwongen sterilisatie duurzamer is dan abortus, en dat daarmee nog heel wat andere sociale problemen op voorhand kunnen worden opge- lost (p.65)

        Dit is inderdaad het hellend vlak-argument. De rest van de column is
        een allegaartje. Marco Pastors wordt een narcist genoemd, de Rotter-
        damse gedragscode gebruikt om Van den Anker mee onderuit te halen,
        gevolgd door een veralgemeniseerde kritiek – een vaag “wij” toege-
        schreven (“intussen dringt het langzaam tot ons door”) – op rechtse
        fermheid.

  • Dat de vastgoedjongens gevoelig zijn voor hyperbool en hysterie, dat weten we inmiddels; er rijdt drie keer een man dreigend op een motor voorbij en ze overhandigen direct een paar miljoen in kleine coupures. (p.135)
  • De Hond lijdt aan een stoornis die ik het Robin Hood-syndroom noem, de narcist binnen het establishment die zich plotseling opwerpt als de laatste der rechtvaardigen (p.235)

        Hier gebruikt Heijne psychiatrische termen nog minder denkbeeldig dan
        in eerdere gevallen (zoals u heeft kunnen lezen is Heijne gecharmeerd
        van het evaluatief gebruik van ‘narcisme’). Vaak gebruikt hij ‘narcisme’
        waar ‘gebrekkig vermogen tot zelfrelativering’ had volstaan. Een psychi-
        ater wordt berispt als hij/zij diagnostiek pleegt op basis van kranten-
        stukken. Heijne psychiatriseert Maurice de Hond zonder gêne op basis
        van een boek van Bas Haan over de Deventer moordzaak. Ik vind het
        los gebruik van  psychiatrische termen onsmakelijk en begrijp het ook
        niet goed. Forceert Heijne zich soms de polemist te zijn die hij niet is?

1 NRC, 1 september 2001, column ‘Sterfgevallen’: “Nog een tragische dood: een paar maanden geleden overleed de Italiaanse dirigent Giuseppe Sinopoli aan een hartaanval. Hij had net Aïda gedirigeerd. Sinopoli was een Italiaanse intellectu- eel, dus geen wonder dat hem vaak gebrek aan warmte werd verweten en een al te doordachte benadering van muziek. Ik had daar geen last van, onderkoeld- heid roept vaak meer emotie op dan romantische bevlogenheid. (..) Sinopoli was ook componist. (..). En de dag voor zijn dood had hij ook nog eens een studie egyptologie afgerond. Zijn agenda was overvol, het moet af en toe geduizeld hebben in zijn hoofd. Anderen dan hijzelf zullen die hartaanval hebben zien aan- komen. Maar Sinopoli verkeerde in de greep van zijn kunst. (..)

Ondenkbaar dat Aaliyah of Giuseppe Sinopoli hun vrienden en fans zouden hebben opgeroepen om een feestje te bouwen op hun begrafenis. Ze waren graag doorge- gaan, er was nog zoveel te doen. Hun dood ervaar je als tragisch in de klassieke betekenis van dat woord; het besef van een afgeknepen leven, van plannen die nooit uitgevoerd kunnen worden, ambities die onverwezenlijkt blijven, van ach- terblijvers die met lege handen staan. Hun plotselinge sterven boezemt van een afstand ontzag in, omdat hun levens dat ook doen.” [de goede verstaander her- kent een vroege ‘bromsnor’]

2 Heijne laat zich zelf zo uit, De wijde wereld, p.18.

3 Heijne verwijst naar een inmiddels vergeten “Manifest voor de vrijheid” (mei 2005). Ik sluit niet uit dat hij dingen overdreven heeft om een esthetische bevre- digende slotzin te kunnen produceren danwel aan een gevoeld genrevereiste te kunnen voldoen: “Vrijheid is niet alleen ons kostbaarste goed” [de eerste zin van het vermaledijde manifest]. Het is ons grootste probleem”. Maar dat is suggere- ren dat Heijne bijwijlen een “Tant pis pour les faits”-achtige estheet is.

4 In De wijde wereld (2000) meldt hij fervent kijker van het programma Explosief te zijn (“televisiejournalistiek van de ergste soort”) en knoopt er een interes- sante beschouwing aan vast; en meldt elke dag in De Telegraaf de horoscoop te lezen, alleen die van zijn sterrenteken. Heijne kan heel gewoon zijn.

5 Dit is een omkering van de redenering die Heijne zelf toepast in ‘Blind van woede’ (p.67-70). Daarin spreekt hij de Franse denkers tegen die, na de moord op Van Gogh, hoog opgaven over de Franse oplossing van het integratieprobleem: burgerschap. Zij werden ingehaald door de feiten, de rellen in Parijse voorsteden. Voor Heijne is die invalshoek daarmee ontmaskerd als een vorm van wegkijken van het echte probleem van een groeiende onderklasse, aan wiens problemen niets wordt gedaan. Hoe dit ook zij, het is niet in tegenspraak met de mogelijk- heid dat, op een ander vlak, bij een ander probleem, een specifieke invulling van burgerschap wel een levensvatbare oplossing is.

 

Advertenties

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: