Klassenstrijd


Over kunstgebruik.

Vandaag bezocht ik op de Leidse open monumentendag enkele panden aan het Plantsoen, een eind negentiende-eeuwse uitbouw op de plek van gesloopte stads- wallen. Aan de voorzijde kijkt men vanuit de huizen uit op een parkontwerp in Engelse landschapsstijl, aan de achterzijde op inmiddels geliefde kleine arbei- derswoningen, gelegen aan een inmiddels gedempte binnenvestgracht. Ten tijde van de oplevering was dit een verpauperde arbeidersbuurt.

Voornaamste attractiewaarde voor mij was, dat het huizen van rijken zijn, die ik anders niet snel van binnen zie.

Je kunt deze open monumentendag opvatten als een blijk van vertrouwen in maatschappelijke harmonie. Niets belet armen rijken hun rijkdom te misgun- nen. Het is maar welk inkomensverschil je ‘sociaal rechtvaardig’ acht. En de op- vattingen daarover variëren en zijn te manipuleren.

Hedendaagse ‘armen’ vechten echter liever tegen ‘moslims’. Dat is het raadsel (voor oud-links) van de nieuwrechtse hegemonie.

Een open monumentendag is ook niet de eerste gelegenheid waaraan je denkt bij het uitbreken van maatschappelijk oproer.

Maar ook persoonlijk definieerde ik me dus als arme vandaag. Wat ik ook relatief ben. Maar ook resoneert daarin mijn afkomst. Niet dat ik ons gezin als arm be- leefde. Dat deed ik pas na de scheiding van mijn ouders, op mijn twaalfde. Ik ben altijd een fantast geweest. Toen onze basisschool bij toeval tijdens mijn eerste schooljaar een nieuw gebouw betrok – ik moet het opgetrokken hebben zien wor- den, het lag tegenover de kleuterschool – was ik ervan overtuigd in de mooiste school van de wereld les te krijgen. Bofte ik even.

En toen we op mijn negende binnen Den Haag verhuisden naar een buitenwijk, een vijfkamerflat vier hoog, oordeelde ik ons opnieuw bofkont, vanwege het fraaie uitzicht. (En geef me eens ongelijk. Het mag de goedkoopste verdieping geweest zijn, het uitzicht was er niet minder om. Een negenjarige maalt niet om een paar trappen lopen meer of minder)

Ook na de scheiding, hoewel de armoe toen – vooral voor mijn moeder – reëel werd, zag ik mijzelf nog allereerst als ‘jong mens op weg naar het concertpodi- um’. Ik kon goed leren en baseerde daarop mijn vertrouwen dat mijn toekomst voorspoedig zou zijn. Eenmaal bij de besten, altijd bij de besten.

Ik wilde een van de huizenbezitters bedanken voor het openstellen van zijn wo- ning, maar hij bleef maar in gesprek. Hij had een homoseksuele uitstraling. Dit doofde de laatste smeulende resten, voor zover die er waren, van klassenijd. Dit wat betreft linkse bevooroordeeldheid.

Ik heb ook nog in een huis gewoond met de dochter van een eigenaar van een huis aan het Plantsoen. Ze was vooral erg nietsig, maar gespeend van arrogantie. Haar vriend was een kwast en, net als ik, van kleinburgerlijke komaf.

Van de op internet gelezen brochuretekst bij de monumentendag herinnerde ik me de stucplafonds. Die werden destijds voor het eerst niet langer met de hand aangebracht maar geprefabriceerd en vervolgens aan het plafond gelijmd. Hier- door konden ook minder rijken zich een stucplafond veroorloven. Dat deden ze gretig.

In de eerste kamer die ik betrad werd ik, voor ik omhoog kon kijken, afgeleid door de grote hoeveelheid uitgestalde kunst. Zoveel kunst, dat de kamer achter- grond werd.

Het was wat ik noem Atlantis-kunst. Die roept altijd bij me op “Gerti Bieren- broodspot”. Onderwerp leek een verloren gegaan, niet mythisch maar werkelijk verleden, waarin spirituele mensen rondliepen.

Eén sculptuur verwees vaag naar het modernisme of Escher’s Moebiusfiguur.

Ook het glaswerk was stevig in ‘magisch’ idioom. Op vakantie in Italië, zo vijf jaar terug, zag ik in Ravello voor het eerst iets verwants. Ik kon destijds niet uitmaken of ik langs een ‘fabriek’ of atelier liep. Deze kunst kent een grote be- tekenis toe aan het menselijk gezicht, maar verzonken/onbereikbaar in glas. Fluorescerende pigmenten geven het werk uitstraling, zoals zandstralen (of hoe de techniek ook heet waarmee de huid van het glas ondoorzichtig wordt gemaakt) een mysterieus contrast creëert met het voor het overige transparante glas. Ook hier is Atlantis nooit ver weg.

Augustus 2013, Place des Vosges, Parijs

Kunst voor bezadigde mensen. De dramatiek zit in de persoon van de koper, die de moderne kunst/buitenwereld niet helemaal kan/wil ontkennen. En zo schaft men zich, een eeuw na dato, een ‘modernistisch’ kunstwerk aan en gaat mee met zijn tijd.

Terwijl dit oordeel zich in no time in mij vormde, zag ik een hostess in de kamer staan. Ik begon over de afleidend vele kunst. Ze bleek hier doordeweeks als nota- ris te werken. Het kantoor werd in het weekend als galerie verhuurd.

Ze wijst me op de andere attractie van dit huis: de ingebouwde elektrische stof- zuiginstallatie.

Ik merk terug te deinzen als ze me als “haar soort mensen” aanspreekt. Welis- waar spreek ik beleefd en heb gestudeerd, en ontbreekt in haar stem een bekakt accent en doet ze ook niet uit de hoogte – maar om nu te concluderen…

Mijn weekendstoppelbaard voelt plots als goedkope oudere jongerenromantiek.

Meteen na mijn beëindigen van het gesprek wordt de hostess aangesproken door de vrouw van een ouder echtpaar, dat zich enige tijd achter mijn rug schijnt te hebben opgehouden. Ze hebben elkaar twee jaar terug voor het laatst gezien, vang ik nog op. De begroeting is allerhartelijkst.

Advertenties

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: