Uit mijn nek


Zondag een aantal uren de Bellmer / Bourgeois-tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum bekeken. Mijn indruk: Bellmer is de man van de uiterlijkheden, Bourgeois spreekt van binnenuit. Een kijkverslag.

Hans Bellmer

Street credibility
Het viel me op dat de tekstborden moeite deden Bellmer de ‘street credibility’ van een getormenteerd mens te geven:

  • hij had een autoritaire vader waarmee hij grote moeite had
  • zijn vader was enthousiast NSDAP-aanhanger, hij niet
  • als vader en zoon in de nachttrein zitten, schrikt vader op van een zwaar opgemaakte vrouw die de coupé binnenstapt: zoonlief!
  • Bellmer wordt in 1953 verliefd en begint een relatie met een vrouw die depressief is, aan schizofrenie lijdt en in 1970 zelfmoord pleegt. Hij herkent zijn poppenfoto’s in haar (zoiets)(1).

Ik interpreteer dit als pogingen Bellmers werk een samenhang te geven die het van zichzelf niet heeft, alsof het verwijst naar duistere raadsels in zijn leven/ psyche.

Beproefde uitdrukkingsmiddelen
De foto’s van Bellmers eerste pop vind ik interessant, juist omdat het foto’s zijn. Dat trekt de pop in het rijk van de verbeelding. De foto hiernaast, een van de meer expressieve van de allereerste serie, moet het voor zijn zeggingskracht overigens hebben van beproefde procedé’s. Het hemdje geeft contrast, accentueert de billen en verleent de ruwe kont enigszins het karakter van huid. Het halsbandje appelleert aan verleiding en ook dat laat gips op deze plek tot huid worden.

Dan is er nog het contrast tussen het stromende, beweeglijke haar en het harde hoofd; een hoofd ook met een knik, welke de taal van de menselijke nonverbale expressie (‘het hoofd laten hangen’) en cultuur (‘met de kop tegen de muur slaan’) spreekt.

(Al)chemie
Een andere foto (onder) toont de tweede door Bellmer gemaakte pop hangend in een boom, van onderen gefotografeerd. Het hoofd vloeit over in een boomkruin. Ik las dat Bellmer gegrepen was door de opera Hoffmann’s Erzählungen, waarin iemand verliefd wordt op een pop. Ook Kokoschka kwam voorbij. Na de breuk met Alma Mahler nam die een tijd een pop in huis. De pop werd behandeld als de ex-geliefde (ik ben vergeten of Bellmer hiervan slechts kennis had genomen of ervan onder de indruk was).

Welnu, de foto als medium – plat vlak, louter grijswaarden – schakelt dode en levende natuur gelijk, bewerkstelligt chemisch het wonder.

Aldus mijn filosofietje dat, besef ik nu, de pop inspint in het verhaal van Pinokkio, Frankenstein en Orpheus, vast tegen de zin van Bellmer.

Overigens kwam de eventuele fascinatie mij gestoord voor (2).

Uiterlijk
Veel foto’s en tekeningen kwamen stuurloos, freaky over, niet doorleefd. Alsof Bellmer minder zichzelf onderzocht dan de buitenwereld aanklagen wilde; of ervan uitging dat hij zijn/een onbewuste liet spreken en daarmee de waarheid. Wat mij betreft dus niet.

  • Freaky vind ik bijvoorbeeld het werk dat Rob Scholte had kunnen inspireren, waarin benen op de romp worden geplaatst op de plek waar doorgaans hoofd en armen zitten (zie de foto hieronder)(3). Het onderwerp is weinig oorspronkelijk, kon zo uit een Duitse arthousefilm uit de jaren twintig geknipt zijn (met de boom vervangen door een lantaarnpaal, het bos door een verregende straat en de pop door een vrouw uit het volk die haar lichaam verkoopt, gedwongen door de omstandigheden).

  • Er is ook een tekening met linksonder een wat verlepte vrouw, qua formaat het beeld overheersend, en rechts boven een trap naar een halfopen deur. Ik vind het nep-zwarte romantiek. Wat zich achter die deur bevindt is voor niemand een raadsel (maak ik me sterk): de vrouw linksonder komt er vandaan. Mocht de vrouw een “prostituee” zijn, rebus voor “iemand die door de burgerij hypocriet veracht wordt”, dan is de kamer boven een peeskamer.

De boodschap lijkt me: er is geen raadsel en ik heb alles door.

10 okt – verlept is haar lichaam niet, alleen haar borsten zijn wat vormloos; prostituee is ze vast evenmin en haar buikpartij gelijkt de schacht van een penis, hetgeen ons ontregelt – maar dan weet je ook met goede kunst van doen te hebben (4) . Wie goed kijkt, ziet dat Bellmer een dierenkop in de tekening heeft verwerkt, waarvan het rechteroor haar tong kan zijn. Het moet niet surreëler worden!

  • Op weer een andere tekening toont Bellmer de bocht van een trap naar beneden. Deze spiraalvorm laat zich om het even begrijpen als een decoratief element, ornament uit de verfoeide burgerlijke cultuur.

10 okt – bij mijn tweede bezoek vandaag vond ik geen tekening en deze foto
alleen in de catalogus. Misschien heb ik de trap op de vorige afbeelding en
deze in mijn geheugen aan elkaar geplakt (ook hier een grillig onbewuste, de
losse poponderdelen hebben geen indruk gemaakt, we zijn inmiddels wel wat
gewend en hebben nieuwe taboes)

  • In Bellmers zelfportret was de donkere erotiek en/of agressie van zijn poppen en gemonteerde onderdelenkunst ver te zoeken. De fijne penvoering van zijn eigen kop deed me aan de Jugendstil van Heinrich Vogeler denken. Hoogstens voegt Bellmer een element van verval, eindigheid toe. Om zijn hoofd is de aloude gloed van de geïnspireerde, romantische kunstenaar te zien. Overheersend is de scherpe, scherp getekende blik. De symboliek van het onbewuste op de rechterhelft is aan mij niet besteed, non-communicatief en om het even lui (laat het onbewuste spreken, altijd raak)(5).

Intermezzo – lekkere kunst en Bellmer
Grapppig vond ik dat het museum een reeks foto’s van een echt model(6) afschermde, foto’s met bijzondere aandacht voor de schaamstreek. Het museum heeft ze geplaatst in een vitrine met half geopend deksel (zie foto), alsof men zich indekt tegen mogelijke klachten (“U heeft er moeite voor moeten doen om deze foto’s te zien”)(7).

Ik merk dat deze foto’s van een levend model anders op me inwerken dan de poppen of ook de borsten en ‘naakten’ van Bourgeois. Het is het vertrouwde directe lijntje naar de piemel. Geil, in welke lichte mate ook.

Ik heb even over het vorige nagedacht. Hieronder twee foto’s van beelden die ik ooit live in het museum ‘lekker’ vond. De eerste in Napels; het bovenlijf stijf maar het kontje heerlijk. De tweede een Artemis in Rome, het atletische type. Ik kreeg geen genoeg van de plooien van de dunne rafelrok om haar lijf en haar lichtheid. Ik bekeek haar vooral van achteren, de foto hieronder is van voren genomen. Ook hier steekt het star gezicht negatief af.

Nu ik toch bezig ben: na Bellmer/Bourgeois pakte ik de keramiek- en glasexpositie mee. Onderstaande beelden van Alexandra Engelfriet vind ik zinnelijk op een ontspannener, niet op de neukdaad gefixeerde manier (niet dat Bellmer dat is, hoewel ik me 1 anale penetratietekening herinner). Als amateurboetseerder weet ik (hoewel je dat ook kunt weten uit naar beelden kijken) hoezeer plooien, licht en donker, een beeld tot leven wekken. Dat hebben deze werken maar ook de zinnelijkheid van vulva, huid. En ‘huid’ bevat ‘aanraakbaarheid’, ‘kwetsbaarheid’ (de dunne keramiekklei)

Een zelfde genotvolle rilling geeft sommig vroeg werk van Ans Hey mij (ik bedoel: dit zijn de enige werken die ik van haar ken, uit een boek)(voor huidig werk, zie hier). Trouwens, ook hier ging het o.a. al over ‘sensualiteit’ van kunst.

Het valt op dat Bellmer geen enkele plek heeft voor aangename erotiek. Het lijkt meer over geweld te gaan. Alles prima (ieder zijn onderwerp) maar voor mij heeft Bellmer ook geen onderwerp. Het kunsttheoretisch geleuter over fetisj, fascinatie, hysterie enz. spiegelt de cerebrale verlorenheid van Bellmer/de surrealisten.

Louise Bourgeois

Privé-taal
Van Bourgeois werd vermeld dat al haar werk autobiografisch is. Eén werk wekte een in me sluimerend thema dat me niet bijzonder bezighoudt: de ‘taal’ van kunst. Private taal schijnt niet te bestaan (hierbij hoort de naam Wittgenstein). Zo ook communiceert al te autobiografische kunst niet.

In het geval van Bourgeois is dat mijns inziens haar al te particuliere fascinatie door de spiraalvorm. Het scheen terug te gaan op haar uitwringen van een gewassen tapijt als kind (haar moeder herstelde Gobelins, zoiets). Met diezelfde wringbewegingen – ik volg nog steeds Bourgeois volgens een tekstbord en film – wurgde ze de maîtresse van haar vader in haar dromen. Dit ter verklaring van de vorm van, bijvoorbeeld, het opgehangen beeld in een van de ‘cellen’ (zie foto hierboven). Zonder de uitleg kom je er niet op. Je verplaatst je erin, als je zin hebt, zoals je je open stelt voor de vreemde gebruiken van andere volken.

Tegendelen samen als zwaktebod
Ook dit vermeldde een tekstbord. Bij Bourgeois zijn dingen vaak dubbelzinnig: ogenschijnlijk zwak krijgt plots ook sterke trekken, enzovoort (zie foto). Ik herken dat uit mijn eigen amateurgeboetseer. Het geeft dramatische spanning. Het doet denken aan het retorisch basisgegeven: voor elke positie in een debat is wel iets te zeggen, dus voor beide tegendelen.

Het gevaar vind ik gemakzucht. Bourgeois is daar vatbaar voor, ze lijkt niet echt een denker, meer een intuïtief kunstenares(8). Bij Bellmer – zie later – draagt het tekstbord een heel verhaal aan over zijn ‘fascinatie’ voor prothesen, bij Bourgeois is het banaal: haar zus had een houten been (tekstbord: “wier slepende gang in haar geheugen stond gegrift”).

Het moet niet ‘never growing up in public’ worden.

wat gezocht tekstbord

Fantasieborsten
De borsten van Bourgeois zijn fantasieborsten. Ze lijken me meestal vruchtbaar. Soms zijn ze misschien sterk, als gebalde bokshandschoenen. In elk geval hebben ze nooit hun spankracht verloren. Daarvan heeft Bellmer wel voorbeelden.

Lijf/hier
Fillette (klein meisje) gaf me de gedachte in: de aanblik van genitalieën, meer dan die van lichaamsdelen als arm of been, heeft als effect het onmogelijk maken van idealisering (vergelijk ‘in je hoofd leven’). Misschien omdat de aanblik altijd enigszins erotiserend werkt of schaamtevol is of de kwetsbaarheid van het onbeschermd geslacht oproept. Je blijft in je lijf. Je blijft hier.

de opengewerkte achterzijde bemiddelt voor mij kwetsbaarheid, eindigheid

Voor een ander deel is het misschien cultuur- of persoonsgebonden. Penis en vagina hebben in het Westen geen symbolische betekenis zoals soms nog in Azië (de rondgedragen megafallus als vruchtbaarheidssymbool – of is dat inmiddels vooral toeristenattractie?); het zijn onedele lichaamsdelen. Ook kun je penis en vagina, anders dan arm en been, niet in expressieve houdingen neerzetten. Je drukt er jezelf niet mee uit, bent passief, ook in je opgewondenheid.

Overige opmerkingen
Ik vroeg me af in hoeverre Bourgeois’ opdeling van het vrouwenlijf, voor haar aaneengenaaide torso’s/lijven, een technische danwel esthetische/inhoudelijke keuze was. De naailijn deelt het beeld immers op in volumes. Vergelijkbare vragen zijn bekend uit de beeldhouwkunst. Daar moet de maker voorkomen dat het beeld breekt op een punt waarop teveel druk wordt uitgeoefend of omvalt door onbalans. Technische vereisten dienen kunstig opgelost, zodat je geen sculpturale stoplap krijgt.

Ook Bourgeois’ werk deed me af en toe denken aan Jugendstil/Art Nouveau. De Labyrintische toren riep associatief (en betrekkelijk willekeurig, mijn beeldgeheugen is niet zo omvangrijk) een werk van Hermann Obrist op, dat ik vorig jaar in München zag. Sowieso heb ik een zwak voor ‘hoger reiken’; belasting van een christelijke jeugd, getransformeerd in het weinig effectief copingmechanisme van naar voren vluchten (één reden waarom Bourgeois’ spiraalvorm voor mij niet ‘vanzelf spreekt’: de ‘kurketrekkerbeweging’ laat zich ook ‘optimistisch’ duiden)(9).

Art Nouveau zat bij Bourgeois ook in andere details. Bij Tepels, een reliëf bestaande uit een horizontale reeks tieten, de tepel tot afsluitdop gestileerd, de individualiteit van de afzonderlijke borsten verminderd door de compositie, werd mijn aandacht getrokken door de omlijsting. Bourgeois had, ‘omdat ze het niet laten kon’ ben ik geneigd te zeggen, boven en onder een overhuiving gemaakt. Ik zag het sierlijk lijnenspel dat me zo bevalt aan Art Nouveau, een onbedwingbaar huppelen, dat niets dan zichzelf beduidt (10 okt: maar niet heus(10)).

Bourgeois en Bellmer

Hoezeer ook geamputeerd (borsten als stompen), is dit beeld minder agressief (Bellmer) dan kwetsbaar. Het gat in de buik doet het hem, mijns inziens

  • Werken in textiel lijken inherent kwetsbaarder, ‘kwetsbaarheid’ op te roepen, dan die in metaal. Bourgeois is kwetsbaar, Bellmer ‘hard’
  • Interessant vond ik de opmerking over de dubbelzinnige betekenis van prothesen bij Bellmer en Bourgeois, zowel negatief als positief (zie tekstbordfoto)

  • Onderwerp waarmee ik weinig heb, is dat van de betekenis van het mechanische, van het binnendringen van de techniek in het lichaam, van het lichaam opvatten als machine, samenstel van onderdelen. Dat is vooral bij Bellmer aan de orde. Het doet me denken aan de discussie over de cyborg in de 80s, die trok me ook niet, hoezeer ook de eerbiedwaardige Karin Spaink zich erin mengde. Bij Bellmer neig ik het op te vatten als uitdrukking van gestoordheid (gebrekkig vermogen tot integratie); bij mijzelf & cyborg is het misschien angst voor desintegratie (‘Laat mijn lichaamsbeeld intact!’). Hoe dan ook, het tekstbord van het Gemeentemuseum gaat mijns inziens esthetisch bewonderend laf mee met genoemde ‘Franse intellectuelen’-erotiek. Mijn erotische fantasie wordt in elk geval niet “aangewakkerd” door het als fotokijker aanwezig mogen zijn bij losse lichaamsdelen.

Conclusies

  • Ik heb een psychologiserend-ethische insteek: waarachtigheid is toetssteen
  • Ik verdenk Bellmer ervan aan de buitenkant te blijven, gebrekkig introspectief vermogen te hebben. Zijn werk suggereert van alles maar maakt weinig waar.
  • Inbegrepen in die ‘buitenkant’ is gekanker op de maatschappij/anderen (laten we het over u hebben), surrealisme (of welke andere als urgent ervaren actuele kunst ook) als ‘the next new thing’ (waarvan het belang achteraf altijd overschat blijkt), soms hand in hand gaand met kunst als middel tot het doel belangrijk te zijn.
  • Surrealistische technieken van ‘automatisch’ of ‘spontaan’ dingen laten gebeuren en menen dat ze verborgen waarheid onthullen, verschijnen in dit licht als luiheid, ontlopen van jezelf. De rechterkant van Bellmer’s zelfportret is voor mij wezenloos, ornament dat meer wil zijn.

   

  • Ik beweer dat Bourgeois er beter in slaagt bij zichzelf te blijven.
  • Ik keer me tegen al te particuliere kunst. Niet de huilbui maar waar het verdriet over was. Niet het houten been maar waar het voor staat.
  • Ik heb niet zoveel met liefde/erotiek voorgesteld als slagveld (krijg er nog een harde dobber aan dit te rijmen met mijn waardering voor Egon Schiele).

Nadeel van deze insteek is gering oog voor vormkwaliteit van een kunstenaar. Ook lijkt het je op te zadelen met het problematisch onderscheid tussen ‘vorm’ en ‘vent’. Maar, inderdaad, “Wat heb je te melden” staat bij mij voorop. Een waarachtige houding verlangen in wat (voor mij) primair een esthetisch, genotverschaffend medium is (van kunst breekt geen revolutie uit), is vragen om moeilijkheden. Een rotzak kan (h)eerlijke kunst maken, ethiek is niet esthetiek.

Voor het blok gezet, heb ik liever mensen die gedreven zijn om mooie dingen te maken (‘nu eenmaal’ of om wat ook te bezweren) dan schreeuwlelijkerds die, vermeend in de modder van hun tijd staand of hevig lijdend, maatschappelijk commentaar of al te persoonlijk drama leveren.

Noten (aanvullende info, verzameld 10 oktober 2010)

(1) Unica Zürn. Ze had misschien een aparte jeugd maar werd pas echt minder hanteerbaar ‘gek’ na experimenten met mescaline, ondernomen met medesurrealist Michaux. Precies zoals mensen tegenwoordig door hasjgebruik in een psychose kunnen schieten en onomkeerbaar veranderd raken.

(2) Natuurlijk is Bellmer voer voor psychologen, ik bedoel: niets is heilig. Ik kom googelend al snel twee boeken tegen, waaronder de eerst mij bekende poging de kunst van kunstenaars te verklaren via de attachmenttheorie van Bowlby (angstige gehechtheid). Hier nummer twee: http://www.artic.edu/reynolds/essays/taylor.php. Bellmer’s officiële verklaring, dat hij met zijn poppenfoto’s het (door de Nazi’s gekaapte) naturistenideaal van het menselijk lichaam voorgoed onmogelijk wilde maken, lijkt motief van de buitenkant.

(3) 10 oktober: ik dacht het beeld op de foto ook in 3D te hebben gezien in het museum. Dat is niet zo.

(4) Vandaag zei een gids dit letterlijk tegen een oudere dame, wie het werk ‘Le regard’ aan een bolus deed denken.

(5) In de zaal met het zelfportret trok, toen ik er was, een gids voorbij. Ze kwekte tegen haar gevolg, een kudde pensionado’s op hun gemak, vermoedelijk in de hachelijke zekerheid dat, wat ze ook uitkraamden, het kunstwerk niet terug zou praten en de kunstenaar veilig onder de zoden lag. Bellmer had een surrealistentechniek gebruikt (ik luisterde niet goed), voor ons gedateerd, zomaar wat beginnen en er dan iets van maken…(Rorschach, vulde ik in, maar idem). De techniek heet decalcomanie.

(6) Het kan de Bulgaarse schrijfster, academica en dichteres Nora Mitrani zijn, die hier wordt genoemd.

(7) Vandaag (10 oktober) zag ik onderstaand bordje bij de entree van de tentoonstelling.

(8) Hier dreigt het gevaar van een schijntegenstelling. In de film bij de expositie geeft Bourgeois hoog op van het onbewuste, waartoe kunstenaars een bijzondere toegang hebben. Ook contrasteert zij zichzelf met haar moeder, die weloverwogen opereerde. Gevoel en onbewuste liggen mijns inziens bij elkaar in de buurt, ze kunnen hun eigen ratio hebben (de afwegingen verlopen preverbaal, zoiets). Ik zou het vooral nuchter willen benaderen, zoals bijvoorbeeld Dijksterhuis in Het slimme onbewuste. Het onbewuste van de surrealistische toevalstechnieken is achteraf nogal cerebraal, burgermannen die gecontroleerd wild doen.

(9) 10 oktober: met de foto’s erbij kom ik hierop terug. De Labyrinthische toren is niet verfijnd afgewerkt. De (bedoelde) imperfectie maakt het werk humaan. Ook streeft Bourgeois niet naar een evenwicht van volumes. Obrist’s ontwerp van een grafmonument (de meest rechtse foto) is eenduidig en niet spannend (haast uitbeelding van ‘Over de doden niets dan goeds’).

(10) Het urethaanrubber waaruit Tepels is gemaakt, vind ik persoonlijk een onaangenaam materiaal (ik durfde het niet aan te raken, dus moet eigenlijk zeggen ‘lijkt’). Het gevoel bij aanraking staat me tegen, het geen verbinding aangaan met andere materialen (geen osmose of halve doordringbaarheid) en de slappe wiebelstructuur – alsof je de beelden zo in een deuk zou kunnen duwen. Mogelijk is dit bij Bourgeois opzet. Bij het tweede bezoek op 10 oktober sprong het schaamrood me op de kaken: het is geen uitgedetailleerde lijst – daarvoor is het materiaal rubber ongeschikt, vermoed ik. Laat ik nu zeggen: dit soort vragen – “Waarom is die omlijsting zo”, “Waarom geeft Rodin deze vorm aan zijn rotslandschapachtige sokkel”, “Kun je een sokkel/basis ‘slordig afwerken’ ” – interesseert mij, ook vanuit mijn ervaring als amateurboetseerder. Daarin werd plots alles ‘keuze’ en kon iets wel ‘onnadenkend’ uit je handen vloeien (“laat het stromen”) maar bleef daarna de vraag: handhaaf ik dit, waarom dit en niet iets anders? Dat geldt in het bijzonder voor het uitkomen op vaste favoriete vormen. Die kunnen teken van stilstand en blikbeperking zijn, net zoals de mogelijkheden van de stijl of het idioom van gevestigde kunstenaars op een bepaald moment uitgeput kunnen raken en niets meer ‘onthullen’. Of is dit de kunstvariant van de beperkte houdbaarheid van mediapersoonlijkheden? Koot en Bie hebben na hun vertrek van de buis – wat ik destijds zeer toejuichte – aan glans gewonnen. Misschien is het een kwestie van ‘de nieuwigheid is er even vanaf’. Dat zou dan de ‘buitenkant’ van de kunstgenieter zijn (die geprikkeld moet worden, sensatie nodig heeft).

Advertenties

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: