Strollen door de bollen


Zondag 3 juli bezocht ik de George Condo-tentoonstelling in Museum Boijmans van Beuningen (“De schilderijen van George Condo bezitten een surreële kwaliteit“).

Op weg naar Condo werd ik afgeleid door de Futuro.

Ik doorliep de Condo-tentoonstelling daarom van achteren naar voren.

Eerste reactie lokten lelijke kleuren uit, als bij Bacon, en de vlak geschilderde achtergrond. Gefrustreerde behoefte aan kunst als troost voor het lelijke in de wereld.

Condo’s werk is satirisch. Ik houd van satire: George Grosz (feitelijk weinig gezien), Otto Dix (sommige doeken), Honoré Daumier of bijvoorbeeld Komar en Melamid (louter bekend van reproducties).

George Condo: geen zelfspot

Onderling samenhangende vragen die zich aandienden: moet ik Condo dan ook waarderen? Is satire één tijdloos kunstje? Is het zelffelicitatie, vermomd als lof voor de maker? (kijk hoe je reageert als tegenstanders satire maken van iemand die jij hoog hebt zitten). Is het meer dan vermaak?

George Condo, Uncle Joe (2005) en Endart, Zonder titel (oorlog, sex en geloof) (1984)

Satire
Uncle Joe (2005), het eerste schilderij, in vlakke schildertrant, bracht Zonder Titel van Endart (1984) te binnen, gezien in een HP-artikel in de 80s (zie afbeelding). Een ingelijste kleurenkopie in A3-formaat van die afbeelding hangt nog steeds in mijn studeerkamer (en heb ik voor deze posting gefotografeerd).

Het schilderij van Endart is deels provocerend. Jezus lijkt een figurant op een filmset die, terwijl de camera uitstaat, vrolijk kout met acteurs of bekenden aan de zijlijn. Lijden doet hij overduidelijk niet. Dat ontheiligt. Ook de seks is voor sommigen misschien te onbeschaamd.

De wereld van Zonder Titel is horizontaal. Heilige huisjes of hogere idealen ontbreken. Seks is een aangenaam tijdverdrijf (de vrouw houdt haar horloge om, de armstand suggereert dat zij gaat kijken of net heeft gekeken hoe laat het is – er is meer te doen). De Rode Baron werpt zijn bom zoals Rode Baronnen dat nu eenmaal doen. Religie is maar een ander spannend kinderverhaal (engel met harp, het hert – nog net geen eenhoorn).

Alles kan het daglicht verdragen. De vrouw zwaait, de Rode Baron is camerabewust, de voyeur staat nergens achter. Ik zie twee taboes: schaamte en het stellen van morele vragen. Voor sommigen ontbreekt met dat laatste ook individualiteit.

Bij nader inzien heeft de wereld van Oom Joe van Condo weinig van doen met die van Zonder Titel. De laatste is zowel speels ontregelend als een beetje kinderachtig. Endart ademt de jaren zestig/zeventig van “Ontspan een beetje (dan komt het goed)”, Condo het Veronica-liberalisme dat daarop volgde. Condo wil geen (verondersteld) benepen burgers ontregelen – Oom Joe ís een ontregelde burger.

Is het werk van Condo ‘satirisch’? Die vraag is lastiger te beantwoorden dan het lijkt. Het hangt om te beginnen af van de definitie van satire. De mijne: een uiteindelijk opgewekt doorprikken van valse pretenties. Maar die definitie begs the question. Niet alleen kun je van mening verschillen over wat opgewekt (vitaal, monter, tegendeel: zuur) is, dat oordeel staat ook niet los van wat je als valse en ware pretenties opvat.

.
Is de anti-utopist Condo (“dystopisch”, meldt een tekstbord) een grimmig vitale pessimist of een cynicus? Misschien verdienen de satirici Koot en Bie met terugwerkende kracht een ‘grimmig satirische’ behandeling, vanwege de naïviteit waarmee ze hun personages Jacobse en Van Es enkele innemende, menselijke trekjes gaven, daarmee de verdorvenheid van de menselijke natuur onderschattend en ons een rad voor ogen draaiend, alles om de ‘linkse’ illusie van de ‘uiteindelijke’ goedheid van de mens of verbeterbaarheid van de samenleving in stand te houden.

Ook het woordenboek – altijd een zwaktebod – brengt geen uitkomst:

  • satire: hekelende voorstelling, spottend geschrift enz
  • sarcasme: bittere, bijtende spot
  • cynisme: het cynisch-zijn; cynisch: als een cynicus; cynicus: iemand die niet gelooft aan het goede in de mens

Bewogen kunstenaar

NRC-recensente Janneke Wesseling:

De collages maken veel duidelijk over de kritische en absurdistische kijk van Condo op de maatschappij. Zijn werk, waarin een hele stoet aan gekken en verweesde figuren aan ons voorbijtrekt, toont ons hoe een kapitalistisch, liberalistisch systeem mensen in monsters verandert“. [‘liberalistisch’?]

Absurdisme en onderricht. Beide kunnen opgevat worden als vorm van betrokkenheid. ‘Absurdisme’ brengt ons terug bij de hierboven behandelde problemen. Is het zuur, vitaal, grimmig vitaal of cynisch (is het ‘waar’)? Bas Heijne: “De humor van de absurdisten was niet zonder deernis. Al die dwalende zielen (..) – het zou allemaal hilarisch zijn als het niet zo schrijnend was” (De werkelijkheid, 2004, p.165).

Het museum:

Elk portret toont een mengeling van het schone en het groteske, van wat we herkennen [het schone van onszelf?] en wat ons totaal vreemd is [wij, voorzover grotesk?]. Een van de voordelen van deze aanpak is dat er gelaagde en schijnbaar onverenigbare reacties door worden opgeroepen, die ons herinneren aan de conflicterende gemoedstoestanden waarmee we in het dagelijks leven te kampen hebben. Condo’s galerij van imaginaire portretten wekt niet alleen weerzin, fascinatie en blijdschap, maar roept ook medeleven op. In de extreme toestand van de geportretteerden klinkt een verre [hoezo ver?] echo van welbekende trekjes in onszelf“.

Verondersteld wordt, dat deze fantasieportretten ons beroeren (weerzin, fascinatie, blijdschap) en we onszelf in hen herkennen, onze innerlijke verdeeldheid. We kijken dus niet aapjes (die rare mensen) maar zien, in een misschien licht vertekenende spiegel, onszelf. Medeleven, in het besef van een gedeeld menselijk tekort (feitelijk: medeleven met onszelf), is het resultaat.

Andere typeringen: “tragikomische blik”, “onderwerpen die grotendeels voort- komen uit zijn eigen fantasie” maar anderzijds “schilderijen die ‘de gekte van alledag laten zien’ “, “schijnbaar alledaagse types, figuren die mentaal op de grens zitten”, “persoonlijke visie op onze tijd, die tegelijk dystopisch, humoristisch, invoelend en kritisch is”.

Condo zelf leeft volgens het museum dus ook mee met de door hem ontworpen personages (“invoelend”). Verder wordt het afstand nemende ‘grotesk’ aangevuld met ‘humoristisch’ en ‘tragikomisch’. De mens is afstotelijk én om van te houden.

Mijn oordeel: (1) het museum vindt van alles tegelijk, houdt alle opties open; (2) aan grote woorden geen gebrek. Verder: om als beschouwer te kunnen meeleven met de personages, om van ze te kunnen houden, is vereist dat de schilder ze van sympathieke trekken voorziet. Ik vind ze niet.

Humor
Bekeken alsof louter gericht op humoristische effecten, zijn de schilderijen mager toegerust voor hun taak: het zijn cartoons bestaande uit één plaatje, zonder tekstballon, met nauwelijks een situatie en met een eenmalige held van wie we niets weten, behalve wat zich laat afleiden uit attributen. Waarom of waarover zou ik kunnen lachen?

Is-ie leuk of is-ie leuk?

Is het wel mogelijk mee te leven met deze popachtige figuren? Zit in die keuze al geen element van cynisme? De kunstenaar houdt mijns inziens veel afstand tot zijn personages.

Medeleven en vals sentiment

Silent thoughts (2009) en The executive (2003) hangen in de zaal gewijd aan het thema ‘Melancholie’.

Silent thoughts” (2009) en “The executive” (2003).

Silent thoughts doet mij denken aan een belegger die met welgevallen de voor hem gunstige koersontwikkeling op de monitor bekijkt (kunstlicht schijnt op zijn gezicht, lijkt het). Hij ziet er niet bijzonder agressief, geharnast of speedy uit, anders dan sommige figuren in de documentaire Inside Job(2010) en de gemiddelde beurs- en bankmedewerker op Wall Street, volgens de in die documentaire geraadpleegde Wall Street-therapeut/celebrity Jonathan Alpert.

Evenmin oogt onze held of schlemiel bijzonder hebzuchtig of gewetenloos. Ik zou het woord ‘gnuivend’ gebruiken. Maar misschien doet hij wel iets heel anders voor zijn beroep. Kan het me schelen?

The executive is mijns inziens eendimensionaal. Door de stripkop krijg je ook al geen hoogte van deze man. “Slaaf van de ratrace naar meer meer meer”?

Het tekstbord bij de zaal: “Het is verleidelijk om schilderijen die Condo vanaf eind jaren negentig maakte te typeren als maatschappelijke verbeelding“. Klinkt alsof minder een individu afgebeeld wordt dan uitdrukking gegeven aan een mentaliteit, met de kunstenaar als medium, seismograaf die terugspiegelt wat maatschappelijk onder de oppervlakte leeft.

Het vervolg bevestigt dit: “Reflectie van een cultuur die heen en weer wordt geslingerd tussen uitzinnige levenslust en bodemloze wanhoop“. In plaats van een cultuurfilosofisch essay te schrijven, levert Condo schilderkunstig commentaar.

En wat ziet Condo’s medelevende blik: “aftakelend geloof, ontkrachte mythologieën en wetteloosheid“, “aan lager wal geraakte zakenlieden ingehaald door een voortrazende cultuur“, “de tragische gemoedstoestand van een belegger op de dag dat de markt instort” en “een gevoel van hulpeloosheid en mislukking in alle lagen van de samenleving“.

Hier krijgt Condo’s bewogenheid voor mij valse trekken. Alle lagen van de samenleving? Oplichtende bankdirecteuren én door hun benadeelde burgerij? Een voortrazende cultuur die het gedaan heeft? Condo gaat mijns inziens iets te gemakkelijk voorbij aan individuele verantwoordelijkheid, aan het soms kunnen (en moeten) toerekenen van gedrag aan degenen die het vertonen.

De Yes Men (satirici) hebben minder begrip voor de tragisch misleide en hulpeloze apostelen van het voortjakkerend neoliberalisme (begin na 4 minuten, op stoom bij 5.35 minuten):

de kop rond 6:29, 6:39 min. kan zo uitgeknipt en als een sterke Condo ingelijst!

NRC-recensente Janneke Wesseling maakt een punt van het feit dat Condo succesvol opereert in de martkeconomie die hij zo hekelt: “Het is aan de beschouwer om te beslissen of Condo een opportunist is danwel een schilder die een serieuze taak op zich heeft genomen“.

Onze verdeeldheid
Van hun humor en bewogenheid hebben Condo’s portretten me niet overtuigd. Verbeelden ze wel overtuigend onze verdeeldheid, het menselijk tekort?

Verbaal overtuigen Condo en het museum me in elk geval niet. Het tekstbord in de introductiezaal legt een dwingend verband tussen Condo’s schilderkunstige aanpak en de effecten van de resulterende werken. Men haalt hierbij Condo zelf aan: “Vanuit een breed kunsthistorisch referentiekader combineert hij deze beeldtalen en motieven om, zoals hij zegt, ‘op verschillende manieren samenstellingen van verschillende psychologische toestanden te schilderen’ “.

Dat is zoiets als op het kaft van een aangeschafte roman lezen hoe u de roman zult ervaren.

Op zijn minst zouden Condo en museum kunnen en moeten onderscheiden tussen (1) wat Condo zegt te beogen en het eindresultaat (2) wat Condo zegt te beogen en wat beschouwers beleven aan zijn werk.

Een manier waarop Condo ‘samenstellingen van psychologische toestanden’ uitbeeldt is via open monden. Veel doeken in de zaal rond het thema ‘De doorgedraaide maatschappij’ bevatten ze.

Op zichzelf drukt een open mond weinig uit – hoewel er een biologische ondergrens is (expressie van basisemoties, Ekman). Meer van belang is dat emoties berusten op beoordelingen van situaties. Wil je als schilder de beschouwer een emotie (‘psychologische toestand’) van je type laten meevoelen, zal je hem of haar een idee moeten geven van waarom de afgebeelde met de mond open staat.

Dat doet Condo in Uncle Joe bijvoorbeeld door hem met ontbloot onderlijf in mogelijk de publieke ruimte af te beelden, met een fles sterke drank in de ene en een brandende sigaret in de andere hand, zeepsopbellen in zijn nabije omgeving en een half gevuld glas weinig handig op de zool van zijn linkervoet, de spanning van een balans die zal doorslaan.

Je weet dan niet waarom Joe met zijn mond open staat, maar kunt je wel enigszins een idee vormen. Hij grijpt naar genotsmiddelen, lijkt ook erg gericht op genot – met de suggestie van verdoving zoeken – en houdt (te) veel ballen tegelijk in de lucht.

Maar de context is veelal summier. Condo lijkt daardoor soms het twintigste-eeuws neefje van die rariteit in de sculpturale geschiedenis: Franz Xaver Messerschmidt, maker van bekkentrekkers.

              

ik nam de foto rechts omdat ik de tong / huig mooi gedaan vond

In andere gevallen, zoals in The executive, zijn de middelen van Condo behoorlijk banaal.

het uitbeelden van zegswijzen is van alle tijden

Een derde element is het mengen van cartoonelementen in portretten. Ik vind dit een ongelukkige keuze. Het doet afbreuk aan de zeggingskracht van het portret. Het worden typetjes.

Ik zag in De zwemmer(1985) dwingend Beaker, de wetenschappelijk assistent uit de Muppets Show. Beaker heeft humor – doordat we hem in scènes in de Muppets Show hebben zien optreden. Zijn beeltenis heeft langs andere weg inhoud gekregen. Wie daarentegen is de zwemmer en wat moeten u en ik met hem?

Condo en Daumier: Daumier benut een uitgewerkter typetje of maakt er een

Portret van een vrouw (2002): ‘gewone’ vrouw in het rariteitenkabinet van Condo. Riep bij mij op “domme koe”, iets met uiers en gebrek aan van zich afbijten, het personage in het verhaal ‘Big blonde’ van Dorothy Parker. Is dit interessant? Is dit verdienste van Condo? Hij geeft ons: een parelketting, een kapsel dat een bepaalde tijdsaanduiding geeft, een vrouw met jurk in vrouwelijke kleur, een stevige boezem en de suggestie van een spotlight op haar gericht (of wilt u me wijs maken dat die twee verschillend gekleurde ogen uw aandacht trokken?). Wat beoogde hij uit te drukken? Wat is de noodzaak van haar bestaan?

     

Portret van een vrouw (2002) en De secretaresse (1998)

De secretaresse (1998): sprak me aan, voor ik de titel bekeek, om het benutten van het sterrensliert-motief. In het beeld overheerste voor mij het ‘normale’ torso. De kop werd ‘masker dat de schilder zo nodig op het gezicht plakken moest’. Ik voel niet de aandrang die kop te duiden als ‘masker dat karakteristieken onthult van de persoon op wie het geplakt is’.

Janneke Wesseling, NRC-recensente van de tentoonstelling, ervoer De secretaresse anders, hoewel niet heel anders: “The Secretary lijkt eerder een portret van een vrouw die een mescaline-visioen heeft, weer met die grote Disney-ogen die in heel veel van Condo’s portretten voorkomen. Witte belletjes verlaten haar mond en wervelen als sterren in een diepdonkerblauwe hemel om haar hoofd”.

Over ‘grote ogen’ gesproken: ander terugkerend element bij Condo is een mond die half ritssluiting lijkt, half een serie losse tanden, zoals komieken die nog wel eens uitspugen. De mond van de secretaresse verwijst er naar.

Een van Van Gogh’s sterrennachten en Condo’s Thuisloze harlekijns (2004): gemakkelijk leunen op Picasso

Een laatste manier van lezen van sommige van Condo’s portretten is ze op te vatten alsof geschilderd door een expressionist. De daarvoor vereiste lenigheid van geest kan ik niet opbrengen, afgehaakt als ik ben bij banalere werkstukken.

Drukt Condo aldus ‘samenstellingen van psychologische toestanden’ uit? Ik ben niet overtuigd. Condo lijkt weer intenties met resultaten te verwarren. En wat bedoelt Condo trouwens: in normaal Nederlands/Engels spreek je van ‘gemengde gevoelens’/’mixed feelings’.

Wat drukt een portret uit?

Apart en relatieve stijlbreuk in Condo’s werk vond ik de gebeeldhouwde koppen naar Romeins voorbeeld. Condo’s The senate council (2002) deed me beseffen dat mijn beleving van Romeinse magistratenkoppen vooringenomen was, gekleurd door voorkennis en gemengd met ‘de historische sensatie’.

The senate council heeft geen verhaal. Je kunt de kop tegendraads ‘lezen’, met voorbijgaan aan de museale tekstbordinfo. Ik bekijk haar graag. Ze is niet bang, behaagt niet, her own woman. Maar dus: the senate council. Is de titel bedoeld om de baaierd aan mogelijke lezingen te beperken, een hint te geven van de richting waarin hij het zoekt? Dan kun je het lezen als droom van een type politica dat hij graag eens zou zien. Maar in één opstelling met ‘de alcoholicus’, ‘de gek’ en ambteloze Romeinse burgers lijkt dit me onwaarschijnlijk.

Boeiender dan Condo’s koppen vond ik, tijdens mijn bezoek aan het Romeins Nationaal Museum enkele jaren terug, het ‘realisme’ van de beeldhouwkunst ten tijde van Caesar. De onder afgebeelde vrouw is uit een latere periode maar roept dezelfde reactie op. Ik lees het alsof half satire (waarom zou je iemand zo onbarmhartig afbeelden!) maar dat is duidelijk anachronistisch. De catalogus vermeldt dat het een ‘Zeitgesicht’ is, een vrouw uit de lagere klasse die de stijl van Livia na-aapt. De kop was vermoedelijk onderdeel van een grafmonument.

Kamagurka schilderde een paar jaar terug koppen met daarna de prijsvraag “Wie is dit?”. Degeen die het meest op het portret leek, mocht het meenemen. Dit is het portret als fysieke gelijkenis, met een variété-act erbij.

Kamagurka’s accidentisme (1:20 min)

Toch liever dat dan de aanmatiging van Picasso, die de andere kant op redeneerde. Nadat een geportretteerde klaagde dat het resultaat niet geleek, antwoordde hij dat dit vanzelf wel zou komen. Doorman, op wie ik me baseer, vervolgt onkritisch: “Bepaalde eigenschappen van het uiterlijk van Stein werden kennelijk pas zichtbaar door het proces van Picasso” (Doorman, Steeds mooier, p.240). Het lijkt er niet op dat Picasso bedoelde dat haar beenderstructuur met het verstrijken der jaren sterker onder haar dunnere huid te voorschijn zou komen.

Doorman’s analyse op dit punt is wel erg subtiel, Picasso’s afbeelding zou onze waarneming (onze ‘bril’) beïnvloeden, waarna we vervolgens de afgebeelde ‘anders’ zien, een vorm van self-fulfilling prophecy zonder de suggestie dat het om bedrog gaat. Voorondersteld is dat Picasso iets ‘echts’/’objectiefs’ te pakken had. Doorman laat in het midden of dit het uiterlijk of innerlijk van de afgebeelde betrof. Een eenvoudiger hypothese (op de manier van Occam’s scheermes) overweegt hij zelfs niet: dat Picasso soms een grote mond had.

In een eerdere posting boog ik mij impliciet over de vraag: wat drukt een portret uit? Ik verlang van een portret dat het de individualiteit, het karakter van de afgebeelde uitdrukt. De grijns en geloken oogleden, de blik kortom, van Erasmus op een afbeelding van Holbein is in zo’n opvatting heel belangrijk – en niet de baret of muts die misschien zijn maatschappelijke positie aangeeft. In wat de Nieuwe Zakelijkheid heet, trekt mij de zekere hardheid met schijn van waarachtigheid.

München, Pinakothek der Moderne. Van het portret rechts ben ik kunstenaar en titel vergeten. Ik weet dat het me trof alsof er allerlei wolken/gedachten achter het vlies van het gezicht voorbijtrokken. Dat is dan weer helemaal niet ‘nieuwe zakelijkheid’

Ook hier stuurt het modernisme soms met een kluitje in het riet. Marcel Duchamp stuurde een galeriehouder, die hem had gevraagd om een bijdrage aan zijn expositie van zelfportretten, een telegram: “This is my portrait if I say it is my portrait” (voorbeeld ontleend aan Doorman, o.c).

De nietszeggendheid van Condo’s koppen stoort. Niet ‘nietszeggend’ op de manier van ‘goede uitbeelding van nietszeggende, bleke/lege personen’ maar ‘nietszeggende uitbeelding’. Vermeer’s Meisje met de parel is een tronie maar voor mij een individu. Ook Daumier’s Don Quichot heeft meer leven dan Condo’s alcoholicus. En de gek van die laatste onderscheidt zich marginaal van een gaper van een drogisterij.

         

Tot zover mijn museumbezoekverslag.

Aangenaamste ervaringen gaven de Futuro, het baarmoederhuisje van Joep van Lieshout en een fauteuil van Gaetano Pesce. Deze bevinden zich alle in de “comfortzone”. ‘Surrealisme’ lijkt wat dat betreft zijn beste tijd gehad te hebben en nog slechts voort te leven in design en de ‘georganiseerde ervaring’ van de belevenisindustrie.

Advertenties

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: