Charley Toorop, Zelfportret


In het Mauritshuis gisteren beroerde niet Rembrandt of Vermeer me het meest maar Charley Toorop.

Ik kon me niet lang bedwingen en begaf me vrij snel na binnenkomst naar de Vermeer’s. Ik moet een tijd niet geweest zijn – de Holbein-tentoonstelling in 2003 – maar hoe dan ook, het Meisje met de parel was kleiner dan ik dacht (ik heb ooit een A1-formaatposter gekocht, die heeft in 2009 nog een paar weken de wand van de HAGA-ziekenhuiskamer van mijn moeder gesierd – die zal de werke- lijkheid verdrongen hebben).

Het Gezicht op Delft, door Bas Heijne half augustus op Twitter en, naar ik be- grijp, op Lowlands “misschien wel mooiste schilderij ter wereld” genoemd, be- leefde ik nu conform de audioguide – de blik geleid naar de zonnige binnenstad, uitpakken met lichteffecten van een zonnige dag met ook een overhangende don- kere wolk.

Het deed me denken aan schoonheid volgens Gombrich’s Eeuwige Schoonheid, de ontwikkeling van de westerse kunst naar een steeds beter kunnen ‘representeren’ van de werkelijkheid. Nou en, was ik geneigd te zeggen.

Volgens Heijne moet dit schilderij, gezien zijn kwalificatie, haast wel de “mystiek der zichtbare dingen” uitdrukken, zijn nieuwe kunstnorm, de term ontleend aan Couperus.

Niet alleen Vermeer, ook Rembrandt legde het af tegen het schilderij dat dit be- zoek de grootste indruk op me maakte: een zelfportret van Charley Toorop. Eme- ritus hoogleraar Carel Blotkamp liet het een gelegenheidsduo vormen met een zelfportret van Rembrandt. Beide zijn geportretteerd als zestiger. De begeleiden- de tekst benadrukt de “mildheid” van Rembrandt en beschrijft Toorop als “mee- dogenloos” en “streng”.

Dat was niet mijn beleving.

Hoewel ik me goed kon voorstellen dat Toorop zichzelf in de spiegel bekijkt, met van die erkend indringende schildersogen (Picasso), rustten ze in de praktijk op mij/de beschouwer. De blik is emotioneel neutraal maar niet onvriendelijk. Ze is vooral zeer aanwezig.

Ik vroeg me af of de plaatsing op het doek die ogen zo dominerend maakt. Ze lij- ken ankerpunt van het werk. De overbodige, wezenloze ‘gordijnen’ (in twee ver- schillende kleuren? [addendum: het werk heet ‘Zelfportret met paletten’, dus…]) versterken de gezichtshelft waarboven ze hangen; de zekere verwaaidheid van het haar, de beschaduwing van de andere gezichtshelft. Ze ‘gronden’ die ogen mijns inziens ook. De pupil van haar rechteroog ligt precies op de diagonaal, mocht dat er ongemerkt toe doen.

Ik kon die ogen niet ontkrachten, niet terug hun hok injagen, niet het schilderij platslaan.

Het deed het zelfportret van Rembrandt in contrast overkomen als portret van een grijsaard met een glaasje teveel op, personage in een stukje van Carmiggelt.

De kinstand zal hieraan bijdragen. Rembrandt kijkt iets naar beneden, de kin van Toorop is geheven.

Verder plaatst Toorop zichzelf in het volle licht. In contrast hiermee lijkt Rem- brandt zich te verstoppen, ‘laf’ te zijn.

Zulke duidingen zijn hachelijk. Het zelfportret van Rembrandt is al eens beleefd als dat van een gebroken man (“berustend” was het woord, meen ik), geschilderd nadat, na zijn tweede vrouw, nu ook zijn zoon gestorven was en zijn financiële situatie beroerd. De audioguide weersprak juist die duiding en benadrukte de zelfbewuste blik (of zoiets).

Deze psychologiserende kijk op het zelfportret dateert van de negentiende eeuw, hoewel toch ook al in de Renaissance de gedachte opgang deed dat ieder portret (of zelfs werk) ook zelfportret is1. Van de Wetering duidt Rembrandt’s zelfpor- tretten als showcase/proeftuin, bedoeld om zijn kunnen te etaleren, waarbij het afbeelden van zijn portret een extra aardigheid was (“de beroemde Rembrandt”)2.

Ik zie het dan ook meer als een compliment voor Toorop.

Tegelijk vraag ik me af hoe ik haar zelfportret ervaren zou hebben als ik het in afzondering of als onderdeel van een Toorop-expositie had gezien (hangt het ge- woonlijk niet in Museum Boijmans van Beuningen en heb ik het daar dit jaar niet na de Condo-expositie gezien, naast een portret met vrienden? – [na check:] nee, het hangt in het Haags Gemeentemuseum). Dan waren andere dingen uitgelicht en het huidige karakteristiek misschien juist weggevallen.

Het geeft de kijkervaring iets kunstmatigs. In het Gemeentemuseum sprong de Toorop tot dusver niet op me af. Daar hangt hij tussen contemporaine kunst. Ik ben bang dat het zo simpel werkt: daar laat ik mijn blik braaf (af)leiden door het trefwoord ‘tijdsbeeld’. Hier oogt het werk fris.

Noten:
1: “Het woord ‘zelfportret’ ontstond pas in de negentiende eeuw. (..) In de ne- gentiende en twintigste eeuw houdt het ‘zelfportret’ een vorm van zelfreflectie in die een zekere existentiële lading heeft (..). Het is dit onbewust gehanteerde ‘ro- mantische’ mensbeeld dat een zwaar stempel op de interpretatie van het feno- meen van Rembrandt’s zelfportretten heeft gedrukt”. ‘De meervoudige functie van Rembrandts zelfportretten’, Ernst van de Wetering, in: Rembrandt Zelf, Waanders (1999), p.18.

In dezelfde catalogus, echter: “..de sinds de Renaissance gangbare opvatting o- ver de kunstenaar die, ongeacht het onderwerp van of het model voor zijn voor- stellingen, onbewust steeds ook een deel van zijn persoonlijkheid en ziel in zijn scheppingen verwerkt. Al tegen het einde van de vijftiende eeuw vond dit op de antieke retorica gebaseerde denkbeeld zijn klassieke verwoording in de Italiaanse zegswijze ‘ogni pittore dipinge sé’ (elke schilder schildert zichzelf)” – ‘Rembrandt, portretten van kunstenaars en het zelfportret: traditie en receptie’, Volker Manuth, o.c., p.40.

2: “Het feit dat Dou en Van Mieris hun zelfportretten overwegend in een min of meer genreachtige setting verwerkten, hangt naar mijn overtuiging samen met het feit dat beide kunstenaars, zoals algemeen bekend, beroemd waren om hun uitzonderlijke vermogen een veelheid van verschillende stoffen overtuigend weer te geven. (..) Zo beschouwd was in de ogen van de verzamelende kunstliefheb- ber elke Rembrandt, ook elk zelfportret van Rembrandt, niet meer en niet min- der dan een specimen van zijn kunst. Het bijkomende voordeel van het zelfpor- tret was dan echter dat het tevens zijn maker toonde (..) Rembrandts roem (..) was in belangrijke mate gebaseerd op zijn tronies. (..) De geweldige variatie in zowel de geschilderde als de geëtste zelfportretten demonstreert dat Rembrandt ze  – evenals de meerderheid van zijn andere werken – als even zovele proeftui- nen van zijn schilderkunstige en grafische avonturen moet hebben beschouwd”. (Van de Wetering, o.c., p.30, 36).

Advertenties

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: