Weinig om het lijf


Over de leegte achter de drukte  

“Authenticiteit, zeggen zij, is een relatief begrip geworden” – Bas Heijne, 2007, p.107

Bovenstaande uitwisseling kreeg deze week veel aandacht. Ook mij beroerden de beelden, maar om een andere reden dan de nadruk kreeg. Mij raakte vooral wat ik niet zag.

            Geraakt worden door wat je niet ziet bij een eerdere gelegenheid

Afstand/nabijheid en de mediacultuur

Allereerst miste ik trekken van een bekend oud type politicus: de staatsman, type ‘wakende vader’. Drees, Kok en, beoogd, Cohen. Piet Hein Donner kleedt zich als een.

Ivo Opstelten, corporale variant van de vaderlijke staatsman

De ‘wakende vader’ was geen man van heftige gevoelsuitingen. Hij hield afstand – maar was wel ‘zorgzaam’. Het landsbestuur kon met een gerust hart aan hem worden toevertrouwd.

Voor zulke verlangens schamen we ons nu. Misschien speelde vroeger de loyaliteit aan een zuil mee, en wellicht aan een basaal idee van een ‘natie’. Ook was het vertrouwen niet geheel blind; betrokkene behartigde ons belang, hadden we redenen om aan te nemen.

Dat wat aan het optreden van de staatsman ontbrak, is tegenwoordig overvloedig aanwezig: gevoelsexpressie. Dat komt deels door de ‘logica van het vermaak’ die de huidige mediacultuur aandrijft (Dick Pels, Het volk bestaat niet, 2011, p.147). Ook de politieke verslaggeving ontsnapt er niet aan. Provocaties, conflicten, schandalen, competitie en het spel om de macht krijgen meer aandacht dan verheldering van meningsverschillen of gedeelde dwalingen.

“De politiek werd (..) vernederd in de Soundmix Show” (Bas Heijne, Het verloren land, 2003, p.160)

Tot voor kort was het contact tussen burger/kiezer en politici afstandelijk en indirect. Affiches bevatten de beeltenis van de politicus, in die tijd altijd een man.  Af en toe sprak hij menigten toe, een miniem bereik vergeleken met dat van onze massamedia. De radio bracht hierin een gradueel verschil, de echte omslag kwam pas met de televisie.

Ons contact met politici is sindsdien indringender geworden, hoe ‘bemiddeld’ en eenzijdig het feitelijk nog steeds is. Pels spreekt van een ‘parasociale’ relatie (p.146), vergelijkbaar met die tussen fan en ster, “een meer amusante, emotioneel geladen en intuïtieve verstandhouding” (p.170).

Het heeft politici gewoner gemaakt (anders dan sterren). Met de verminderde afstand tot de autoriteit is ook diens autoriteit/gezag en daarmee ons ontzag verminderd:

Het is duidelijk dat hier een verlies van aura optreedt, omdat politici niet langer geloofwaardig kunnen poseren als de Grote Leider, maar gewoner moeten overkomen en qua achtergrond en levensstijl dichter bij hun kiezers moeten staan. (..) Politici waren voor de komst van het mediatijdperk gewend om op te treden in grote arena’s, waar zij weidse gebaren moesten maken en een donderend stemgeluid moesten opzetten om door zoveel mogelijk mensen gezien en gehoord te kunnen worden (..). Op tv moet alles spontaan, subtiel en intiem zijn. (Pels, o.c, p.147, 148)

‘Gewoonheid’ en ‘echtheid’ op tv vergen inspanning, waarmee het onecht lijkt te worden. Men belandt bij de paradoxen van Diderot’s neef van Rameau, bij ‘de waarheid liegen’, bij het meest adequaat ‘echt’ zijn door te performen:

‘Ik heb het over authenticiteit. Iedereen moet het op zijn eigen manier doen. Ik besteed er heel veel tijd aan. Jezelf zijn op televisie… authentiek. Onze generatie is zo ingesteld op beeld. We prikken er zo doorheen als je jezelf niet bent op tv. M’n grootje, die kon je nog voor de gek houden, maar mij niet meer.’

Doet u het goed op tv?

‘Ik kijk geregeld terug hoe ik het doe. Omdat ik wil zien: wat doe ik goed, wat doe ik fout? Dat analyseren vind ik heel belangrijk. De tv is zo’n beetje de enige manier waarop politici veel mensen bereiken. Ik probeer daar mijn weg in te vinden.’

En?

Ik vond mezelf heel verkrampt op 2 april, dat D66-congres dat live werd uitgezonden. Strikt vast aan m’n tekst en aan m’n rol. Maar ja, wat wil je, die spanning… Ik vind het prettiger als ik wat meer tijd heb om mijn verhaal te vertellen. Barend en Van Dorp, dat vind ik prettig.

‘Door de directheid van die drie die tegenover je zitten kan ik meer van mijn verhaal kwijt.’

Wat vindt uw vrouw?

‘O, die is kritisch. Heel kritisch. Maar ze begint tegenwoordig met de positieve punten. Haha. Ik moet er natuurlijk nog achter komen wat werkt en wat niet werkt. Ik krijg in elk geval een heel aardige respons. Ik merk dat mijn zichtbaarheid, mijn herkenbaarheid, niet onder doet voor die van collega’s die er al langer zitten. Dan denk ik: nou, de eerste graadmeters zijn goed.’  (Volkskrant, 9 juli 2005, interview met Alexander Pechtold)

Tegelijk wordt in het interview duidelijk dat Pechtold op tv bezig is te communiceren met onzichtbare derden: het televisiekijkend publiek. Dat doet hij niet door de camera te pakken en ‘rechtstreeks’ het volk toe te spreken, maar door na te denken hoe dat publiek er mogelijk bij zit en er zijn optreden in de Hilversumse of Aalsmeerse studio op af te stemmen:

‘De mensen op straat (..) zijn de kinderen naar school aan het brengen, met de hypotheek bezig, met oma in het verpleeghuis. Die weten niet hoe de dingen die ze ’s avonds even in het journaal zien, passen in ons grote verhaal van wat we aan het doen zijn voor het land.’

Ze willen het niet weten.

‘Nee. Natuurlijk niet. Ze hebben andere prioriteiten in het leven. Ze hebben hooguit een paar minuten per dag de tijd voor ons. Dus is het zaak in die paar minuten heel duidelijk neer te zetten wat we willen. En dan niet in grote bewegingen met percentages en zo. Nee, vertel het nou eens in twintig seconden NOS -Journaal op een manier zodat iemand die er weinig tijd voor heeft het ook begrijpt en zich vertegenwoordigd voelt. Dat ze zeggen: die vent zou mijn buurman kunnen zijn. Daar zou ik zo een tweedehands auto van kopen. Heel veel mensen willen helemaal geen verstand hebben van politiek, maar het gevoel: ze belazeren me niet.’ 1

de gespannen echtheid van Alexander Pechtold

We zien Pechtold zichzelf willen profileren als een hedendaagse, geëgaliseerde variant van de vaderlijke staatsman. Hij probeert ‘betrouwbaarheid’ uit te drukken op een manier die aangepast is aan de eisen van het medium. Tegelijk schijnt men dat op een echte en onechte wijze te kunnen doen (“M’n grootje, die kon je nog voor de gek houden”) en vereist die ‘echtheid’ altijd inspanning (“Ik moet er natuurlijk nog achter komen wat werkt en wat niet werkt”).Een beetje onnadenkend ‘jezelf zijn’ is er niet bij. Authentieke gespannenheid op een D66-congres is toch een aandachtspunt voor de volgende keer.

Vanuit een retorische invalshoek bekeken probeert Pechtold zijn overtuigingskracht te maximaliseren. Zijn zorg is het authentiek en betrouwbaar overkomen, niet zijn; dit is wat men in de retorica ethos noemt.

Ook zijn voorkeur voor optreden in het programma Barend en Van Dorp is zo te duiden. Want ook NOVA, voorloper van Nieuwsuur, had Pechtold ruimere spreektijd gegeven en de mogelijkheid direct te zijn in een 1 op 1-contact. Mogelijk prefereerde Pechtold vooral de ongedwongenheid van Barend en Van Dorp, element waarin het programma zich van NOVA onderscheidde; want ongedwongenheid en improviseren gaan Pechtold – “sterk merkbewust, niet vies van ijdelheid en ambitie, en gezegend met een mediamieke bravoure, (..) er expliciet op uit de politiek persoonlijk te maken” (Pels, o.c, p.180) – betrekkelijk goed af.

Die geënsceneerde ongedwongenheid, met van de kant van televisiemakers de wens een groot marktaandeel te verwerven, heeft zijn prijs:

Natuurlijk is het prettig om politici scherp ondervraagd te zien worden op een directe toon, die sinds lang uit de politieke journalistiek verdwenen was. (..) Maar al te vaak slaat de scherpe journalistiek om in borreltafelsentiment. Dat lijkt op een potje vrij ouwehoeren over zaken die iedereen aangaan, maar het onderliggende sentiment is dat alles wat niet direct is en niet persoonlijk, ook automatisch schijnheilig is. (..) Wat ook maar enigszins abstract wordt, is vanzelf onoprecht. (..) Decorum is verdacht. (Het verloren land, 2003, p.163, Bas Heijne over Barend en Van Dorp)

HardTalk: directe toon zonder borrelnootjes

Henk Bleker: de beroerdste niet

Het ego als politiek merk

Een politicus die echtheid oefent…communiceren via stijl, uiterlijk en lichaamstaal… voor een deel kijken we naar imago’s. Voor BN’ers – en dat zijn politici, vanuit het perspectief van de mediacultuur – volstaat de voorgespiegelde werkelijkheid van het imago. De door een politicus aangenomen houding hoeft niet ondersteund te worden door overeenkomstige daden of karaktereigenschappen. Het is een ‘boodschap’, onderdeel van branding, de politicus als “persoonsmerk” (Pels, o.c, p.171):

Uitspraken, lichaamstaal, uiterlijk en accessoires vormen één pakket dat via de beeldbuis wordt aangeprezen en overgedragen. (o.c, p.152)

Zoals kunst ‘de waarheid liegen’ kan, ‘liegt’ een politicus zijn of haar politieke boodschap.

Rita Verdonk belichaamde de zich schrap zettende ‘bedreigde burger‘ die ze niet was.2

Rita Verdonk’s poging een stevige toon te combineren met die van gewone burger in het gedrang.

Voor zover politici een electoraal wenselijk beeld van zichzelf trachten neer te zetten, doen hun politieke tegenstanders alle moeite dat beeld te ontkrachten met een negatief tegenimago. Zij gaan daarin soms ver, zoals in het tot vervelens toe eenzijdig “framen” van de opponent.

De “flip-flop” / “u draait en bent niet eerlijk”. Dick Pels: “In een machocultuur is alle onzekerheid vrouwelijk” (Een zwak voor Nederland, p.201)

Pels deelt Nederlandse politici in op vorm en inhoud. Aan het ene uiteinde staat Balkenende (weinig vorm, veel inhoud), aan het andere Verdonk (weinig inhoud, veel vorm). Wilders maakt gebruik van “welbewuste provocatie, intimidatie en belediging”, heeft een uitstraling van “permanente boosheid en verongelijktheid”, waarbij “zijn berekenende fanatisme de inhoud van zijn boodschap zowel verscherpt als versmalt” (p.180).

Op vergelijkbare wijze, maar meer algemeen, beschrijft Bas Heijne de retoriek van rechtse populisten in Europa en de Verenigde Staten:

Politieke uitzinnigheden, brutale uitspraken en hyperbolische verontwaardiging, meestal gedaan vanaf de zijlijn (..). Ze gaan zonder uitzondering over de ondermijning van de natie door immigratie en de dreiging van de islam – en de jammerlijke ontkenning van die hete hangijzers door de gevestigde politiek. (..)

De incidenten waar de heftige taal mee geïllustreerd worden, lijken (..) tastbaar. Aanleiding vormen altijd concrete gevallen (..). Uitvergroting is meestal selectief, de woordkeus altijd hyperbolisch (..), de problemen dikwijls virtueel (..), maar waar het om gaat, is dat er consequent gesproken wordt in een taal die aanvallend en dramatisch is en dicht bij de alledaagse herkenbaarheid lijkt te staan (..) (Moeten wij van elkaar houden, p.56, 57-58)

Echt echt

In deze mix van echt, ‘gelogen echt’ en ‘gelogen gelogen’ gedrag moet de burger zijn weg vinden. Pels benadrukt de positieve kanten van het imago als politieke boodschap. De in de beeldcultuur geletterde kijker is in staat zulke ‘vertoningen’ correct te ‘lezen’. Met als voordeel dat de taal ook te vatten is door lager opgeleiden:

…schept ruimte voor nieuwe vormen van visuele en emotionele ‘geletterdheid’, die burgers in staat stellen om politieke karakters te ‘lezen’ en hun stijl te ‘proeven’, en ze daardoor beter te kunnen beoordelen op hun competentie en authenticiteit (o.c., p.170)

In een situatie van chronische informatie-overload is een algemene indruk van persoonlijke authenticiteit, betrouwbaarheid en integriteit (of het gebrek hieraan) voldoende voor een adequate beoordeling van politici door burgers. Dat mediagenieke personages steeds meer komen bovendrijven (..) is (..) een logisch gevolg van dit nieuwe stijlbewustzijn (o.c, p.171)

Politieke mediasterren (..) belichamen bepaalde politieke thema’s in een aantrekkelijke ambiance (..). De identificatie met een politiek idool is ook de herkenning van een politieke idee. (o.c, p.171)

Pels heeft geringe aandacht voor de schaduwzijde van deze praktijken. Een tegenovergesteld oordeel bracht de Amerikaanse filosofe Susan Neiman ertoe zich eind 2004 in het actuele politieke debat te mengen. De omstreden overwinning van George Bush op democratisch presidentskandidaat John Kerry was voor haar de druppel: beeld verving werkelijkheid:

Zoals velen op die derde november was ik niet alleen ontzet, maar ook verbijsterd door de claim dat de kiezers George W. Bush hadden gekozen omdat ze zich ongerust maakten over morele waarden (Morele helderheid (2008), p.13)

Wat ons terugbrengt bij de vraag: kan de kijker geacteerde van echte daadkracht onderscheiden? Wint de zwak gebrachte waarheid van de sterk gebrachte leugen?

Evident lijkt dat een sterk mediaoptreden nooit bewijs is voor de juistheid van daarin verkondigde opvattingen.

Cohen als kopjes thee-drinkende slampamper dan wel standvastig verdediger van het gezond verstand en bezonnenheid

Pels heeft een grote gevoeligheid voor beïnvloeding van mensen langs andere wegen dan die van ‘het rationele argument’. Maar in zijn wens de lageropgeleide kiezer op zijn/haar niveau te bereiken (sluipt hier niet een vooroordeel binnen?) lijkt hij zijn kritische reserves even opzij te zetten.

De behoefte aan gezag

          

Ensceneren van gravitas: 3 oktober 2008, bekendmaking dat de Neder-
landse overheid 100 procent eigenaar is geworden van Fortis Nederland

Terug naar het incident tussen Rutte en Wilders. Hoewel het debat live werd uitgezonden, verklaart ‘het oprukken van de mediacultuur’ niet het uit zijn rol vallen van Rutte. Je kunt het positief labelen – ‘laat zich niet piepelen’ – maar Mark Rutte verloor onmiskenbaar even zijn zelfbeheersing en reageerde als privé-persoon3, niet in functie. Dat baarde me zorgen.

Rutte, eerder een ‘jonge’ dan een ‘wakende’ vader, met de uitstraling van ‘dynamische manager’, praat gemakkelijk en lijkt geknipt voor het mediatijdperk. Gaat het echter mis, zoals in het incident met Wilders, dan wordt hij gauw adolescent of een variant daarvan (‘vrijgezel/moederskind’ of ‘praeses van het corps’ (naar Claudia de Breij)).

In dit verwijt klinkt impliciet het verlangen door naar politici met autoriteit. De hieraan gekoppelde tweede kwaliteit die ik miste in het optreden van Mark Rutte – verinnerlijkte overtuiging, gravitas, de ernst van iets belangrijks representeren anders dan je carrière-zelf – kan worden geveinsd, zoals ‘de vaderlijke staatsman’ typetje kan zijn. De daaraan soms geplakte ‘bestuurlijke’ instelling, wars van politiek gekrakeel, is soms slechts verhulling dat de vaderlijke staatsman weinig ideeën en dus weerwoord heeft.

In zijn uitwisseling met Wilders, in een plots ‘ongescripte’ situatie, toonde Rutte weinig innerlijke overtuiging. Zijn voorbereide punt, “aap Erdogan”, was ongemeend en ingelast ter wille van coalitiepartner CDA. Als Wilders Rutte zijn momentje had gegund, zoals Wilders er zelf zo vele krijgt/pakt, dan was er niets aan de hand geweest. Misschien ook daarom dat Rutte zo leeg op Wilders reageerde, met een gespiegeld wezenloos “Doe lekker zélf eens normaal!”.4

Ergens voor staan

Frits Bolkestein stelt retoriek voor als handig hulpmiddel om politieke posities helder neer te zetten. Daarom pleit hij voor betere debatvaardigheden van politici, voor het spreken van heldere taal en een zich beperken tot hoofdlijnen. Dat een en ander gepaard gaat met overdrijving en polarisatie is dan aanvaardbare prijs. Uiteindelijk draaien politieke meningsverschillen om inhoud.

Bolkestein’s aanbevelingen zijn niet louter technisch van aard of bedoeld als dienstverlening aan de kiezer. Opvolging ervan vereist zijns inziens moed van de politicus:

De ambtelijke werkwijze van de Kamer wordt (..) slechts [doorbroken] door een mentaliteitsverandering bij politici zelf. Die vereist moed. Moed om een heldere en onafhankelijke stelling in het debat te betrekken. Om ook als regeringspartij geen blad voor de mond te nemen. Om het debat te beperken tot de hoofdlijnen en niet te zwichten voor de terreur van ambtelijke detailkennis. En om helder en begrijpelijk te spreken.

Bolkestein’s eigen debatstijl was stellig en neigde naar het apodictische, “zoals past bij een man die meent de morele waarheid van onze cultuur in zijn binnenzak te hebben” (Pels, Een zwak voor Nederland, p.207).

Volgens sommigen getuigt het van nog meer moed dan Bolkestein opbracht om twijfel in het debat te durven toelaten en open te staan voor de mening van anderen.

Tegelijk schetst Ignatieff in Vuur en As (2013) zijn genadeloze afstraffing, ook door de kiezer, vanwege zulk vertoon van onzekerheid en twijfel. Ignatieff valt zijn critici gedeeltelijk bij. Politici zijn bij hem wandelend uithangbord van bepaalde belangen en moeten niet teveel hun privépersoon willen uithangen.

Ook Van Doorn meent dat de mediacultuur om krachtige, onafhankelijke politici vraagt, daarbij ook fatsoenlijk:

Als de politiek persoonlijk wordt, zijn persoonlijkheden nodig, politici die indruk maken, die gezag en ervaring hebben. Ze moeten een snee over de wang hebben uit een oud duel en ooit het prikken van een mes in de rug hebben gevoeld van een rivaal. Ze mogen niet bangelijk zijn maar, ondanks alle peilingen, aan hun eigen standpunt vasthouden.

Dit zag hij niet overal om zich heen:

De politiek is de enige branche waar men met wat losse kreten aan de slag kan en met enige brutaliteit nog ver kan komen ook.

Van Middelaar is dubbelzinniger over toelaatbare overtuigingsmiddelen. Het doel (gevoel voor rechtvaardigheid) heiligt soms de middelen (manipuleren van de directe omgeving):

Politieke dieren kunnen geen heiligen zijn. Wie pretendeert het schip van staat van koers te kunnen doen wijzigen, moet ten minste zijn directe omgeving kunnen manipuleren. Het vraagt om gevoel voor rechtvaardigheid, zeker, maar ook om kennis van gedrag, drijfveren en zwaktes van andere mensen. Dat vergt ook ondeugden. Hoogmoed om te denken dat je president of premier kunt worden. IJdelheid om avond aan avond in zaaltjes hetzelfde verhaal te vertellen. Eergevoel om een plaats in de geschiedenisboeken te willen verwerven. (NRC, 4 april 2010).

Strijdersdeugden, zijn mannetje staan, miste ik als laatste in de aanvaring van Rutte en Wilders. Rutte’s reactie op Wilders toont een man die is ingesteld op beschaafde, redelijke debatingpartners, ‘sportief en Brits’. Hij is niet gewapend tegen wat daarvan afwijkt – of heeft weinig te verdedigen.

Psychologie van de kiezer

Betrouwbaarheid, autoriteit en een daarmee gepaard gaand hoog-laag-verschil (eerbied) geven te denken. Kan de kiezer kwaliteit waarderen of gaat het om een kinderlijke behoefte aan een beschermer, een papa, iemand die het, anders dan jij, wel weet? Jij die ook helemaal geen zin hebt om teveel op de hoogte te raken, vanwege de erbij komende last van verantwoordelijkheid? Jij die het daarom maar voorstelt alsof je eens per vier jaar politici inhuurt zoals anderen (of jij) een werkster?

Ook het nieuwere type politici, meer zonen dan vaders, ‘vlotte jongens/ buurmannen’ of ‘dynamisch managers’, kan in een psychologische dynamiek met hun kiezers verkeren. De relatie lijkt horizontaler dan die tussen de ‘wakende vader’ en zijn aanhangers, maar kan de burger bijvoorbeeld verleiden tot de ijdelheid te menen dat men, samen met de ‘krachtige’ politicus, deel van de oplossing is en anderen het probleem (die moeten bijvoorbeeld “in hun kracht gezet”). Een harde meritocratie ligt dan op de loer, ook een vorm van versimpelen van de werkelijkheid.

In Amerika lijken burgers ‘competentie’, een kwaliteit die elementen van ‘autoriteit’ en ‘betrouwbaarheid’ verenigt, zij het op een beperkt terrein (vergelijk: de specialist) van hun senatoren belangrijk te vinden. Dat we toch moeten denken aan de ‘wakende vader’-politicus komt door de manier waarop die competentie vastgesteld werd.

Deelnemers bekeken gedurende 1 seconde foto’s van twee kandidaatsenatoren, die met elkaar (en mogelijk een derde kandidaat) om een senaatszetel van een staat gestreden hadden.

Omdat de senatoren voor een andere staat kandidaat waren dan waaruit de proefpersoon afkomstig was, waren ze onbekenden voor hem of haar. Na een seconde bekijken van de foto’s beantwoordden de deelnemers vragen als: wie van de twee is het meest intelligent, het meest competent, het meest sociaal?

Zeventig procent van de kandidaten die, op basis van een fotoscan van 1 seconde, gemiddeld als meest competent waren ingeschat, hadden hun senatorsverkiezing daadwerkelijk gewonnen (Ab Dijksterhuis, Het slimme onbewuste, 2007, p.85-89).

 foto en grafiek uit artikel over genoemd onderzoek

De psychologie van nationalisme

Een vergelijkbaar verlangen naar geborgenheid is werkzaam in sommig nationalisme. Pels duidt de uitvinding van nationalisme in de negentiende eeuw als een reactie op de ontwrichting van bestaande, kleinschaliger verhoudingen door de industrialisering. De ‘natie’ moest een nieuw thuis bieden:

De metafoor van nationale verwantschap tilt het familie-sentiment (intimiteit, geborgenheid, veiligheid, identiteit) naar het abstracte niveau van een meer omvattende sociale eenheid. (..) Kritischer opgevat, kan het nationalisme dus worden beschouwd als een krampachtige poging om het familiegevoel vast te houden in een samenleving van losser wordende traditionele verbanden (Een zwak voor Nederland, 2005, p.103, p.104)

Ik betwijfel of ‘nationalisme’ ooit ‘authentiek’ kan zijn, de geborgenheid kan geven van een (functionerend) gezin, de gehechtheden van een goede vriendschap. ‘Authentiek’ lijkt me ook ongeschikt woord voor de materie waarover we het hebben. Je kunt gehecht zijn aan onze polders of je verwant voelen met en, wie weet, een beetje trots zijn op de democratie die in Nederland al vroeg vorm kreeg in de waterschappen. Maar wie zou een ander ooit zijn of haar gehechtheden of opvattingen willen opleggen?

Opvattingen over de Nederlandse identiteit zijn theoretische constructies. Sommige hebben het historisch gelijk wellicht meer aan hun zijde dan andere. Maar men belast de discussie over nationale identiteit door de eigen opvatting ‘authentiek Nederlands’ te noemen. Dat is op zijn ergerlijkst een poging de discussie te beslechten met een machtswoord.

Toch doen sommige nationalisten dit. Ze betichten hun opponenten (impliciet) van landverraad (zelfhaat, enz). Pels oordeelt zulk nationalisme “regressie naar de valse zekerheden van een substituutfamilie” (p.122) of ‘nationaal-fundamentalisme’ (o.c, p.102), “inclusief de bijbehorende externe vijand” (p.106).

Pels keert het om en acht zulke sterke nationalisten zelf onwaarachtig: niet ten opzichte van de natie maar intellectueel (mijn oordeel), door het debat over de eigen opvattingen te ontlopen, en in meer persoonlijke zin: sterk ‘nationaal’ gevoel overdekt een feitelijk gebrek aan verbondenheid. Pels spreekt in dit verband van een “reactieve leegte”, een nationalisme van “wij zijn niet wat zij zijn” (p.124).

Voor Pels is ook het recente nationalisme ‘reflex’ op ontwrichtende maatschappelijke ontwikkelingen, nu niet langer de industrialisering maar de algehele versnelling, het vloeibaar worden van wat vast scheen. Dit maakt een existentiële onzekerheid bij sommige mensen wakker, duid ik zijn analyse:

Niet iedereen voelt zich thuis in een ambigue, complexe, beweeglijke wereld. De ‘postmoderne conditie’ kent vele verliezers, die door deze vluchtigheid gedesoriënteerd raken, en die zich voelen aangetrokken tot familiale, nationale en religieuze mythen die de hoop op psychologische en culturele heelheid levend houden. (o.c. p.118)

Pels verwijst hier mijns inziens minder naar ‘verliezers van de globalisering’ dan naar de eenzaamheid van de menselijke existentie, bij hem gepsychologiseerd tot een genetisch bepaald (on)vermogen om te gaan met complexiteit, veelheid en veranderlijkheid:

Een van de belangrijkste verschillen [tussen mensen] is de mate waarin zij in staat en bereid zijn om onzekerheid en twijfel toe te laten, hun oordeel op te schorten in plaats van stellig te hameren op hun eigen gelijk. Het zou weleens kunnen zijn dat dit existentiële verschil (in het vermogen om verschillen te tolereren) ten grondslag ligt aan allerlei andere tegenstellingen. Eerder dan om denkstijlen gaat het hier om basale levenshoudingen. (o.c, p.200)

Naast deze genetische verklaring geeft Pels nog twee andere ‘psychologische’ en deels sociologische verklaringen:

  1. Nationalisme is een uitkomst voor verliezers van de meritocratie (succes en verlies volledig de verantwoordelijkheid van het individu): “Nationalisme is een goedkope manier om zelfrespect te verdienen en onbehagen te compenseren, onafhankelijk van verdienste: je kunt je beter voelen dan anderen zonder hard werken of talent te bezitten. Het geeft een nieuwe geborgenheid” (Het volk bestaat niet, p.50)
  2. Nationalisme is het hedendaagse consumentisme opgeblazen tot natieschaal, een vreemde hybride van een beperkte liberale vrijheidsgedachte, consumentisme, nativisme, conservatieve sentimenten en een gevoel van bedreigde welvaart, samen te vatten in de strijdkreet: samen voor ons eigen. (o.c, p.35, 40-44)
  • De natie als los samenstel van individualisten: beperkte liberale vrijheidsgedachte
  • Het vorige uitvergroot tot de natie. Men schaart zich – bij gebrek aan een andere gemene deler – om een gedeelde vijand: de vreemde, soms: de volksvreemde elite. De eis: “baas in eigen land” en “eigen volk eerst”.
  • Consumentisme: klant is koning. Sterk verzet tegen binding door anderen. Men geeft anderen – autoriteiten, politie, buren – niet het recht aan te spreken op het eigen gedrag (“Waar bemoei je je mee”).
  • Nativisme: de aanname, tevens eis, dat naties bewoond worden door een homogeen samengestelde groep, de “autochtonen”. Vreemde elementen – zowel vreemde mensen als vreemde ideeën – zijn per definitie bedreigend
  • Overreactie op de bedreiging van eigen beginnende welvaart (dit is ook deel van de analyse van Van Reybrouck in Pleidooi voor populisme, 2008)
  • Een – mischien genetische, misschien reactieve – voorkeur voor strengheid en autoritarisme (arbeid als plicht, loon naar werken). In de creatieve mix kenmerkend voor dit type nationalisme wordt de ‘hardwerkende Nederlander’ afgezet tegen de ‘uitkeringtrekkende migrant’.

Het leidt tot een bij aanvang tot falen gedoemd, want op drijfzand gebouwd
” ‘volks individualisme’ dat sterk wordt verankerd in het consumentisme en de nationale identiteit” (o.c, p.43), tot een vorm van:

‘welvaartchauvinisme’ waarin de bescherming van de nationale economie, van inheemse ondernemers en de eigen arbeiders centraal staat: eigen werk, eigen markt, eigen welvaart, eigen pensioenen, eigen uitkeringen eerst! (o.c, p.39)

Pels vindt deze verklaring een vooruitgang in vergelijking met die waarin het hedendaags populisme en nationalisme wordt weggezet als ‘puur’ negatieve rancunebeweging, d.w.z: zonder ideeën. Maar feit blijft dat in de samenstellende ‘ideeën’ de schuld voor wat niet goed gaat steevast bij anderen/vreemdelingen wordt gelegd. Het was goed, tot de ander/het vreemde de boel kwam verpesten.

Zoals hier gepresenteerd, met ingebakken verongelijktheid, kan iemand onmogelijk claimen “authentiek” van zijn/haar natie te houden. Pels gelooft nog wel in een gematigd nationalisme:

Nationalisme beantwoordt aan het zeer reële en authentieke verlangen van mensen om ergens bij te horen, om deel uit te maken van de culturele intimiteit van een gelijkgezinde groep of gemeenschap (Een zwak voor Nederland, p.117).

Schrap je het mijns inziens overbodige ‘reëel’ en ‘authentiek’, dan zegt Pels niet meer of minder dan dat de mens een sociaal dier is, met een ingebouwde behoefte aan geborgenheid.

Psychologie van de niet-rancuneuze groepsidentiteit

Ook Bas Heijne schenkt, in zijn essay Moeten wij van elkaar houden, aandacht aan rancuneuze varianten van eigenheid/groepsidentiteit. Net zoals Pels ziet hij ontwrichtende maatschappelijke veranderingen als oorzaak.En ook Heijne vindt, net zoals Pels, het verlangen naar saamhorigheid, naar een thuis, natuurlijk en oordeelt consumentisme (vaak door betrokkene onbesefte) belemmerende factor.

De natie als thuis heeft niets ‘natuurlijks’. Pels onderstreept de hachelijkheid van het nationaal saamhorigheidsgevoel door erop te wijzen dat in onze tijd vooral de televisie een ‘natiestichtend’ apparaat is (de vakterm voor deze werking is ‘performativiteit’, het verschijnsel dat een term de zaak die het benoemt mede creëert). Soms gaat dat subtiel, zoals wanneer het weerbericht het weer stilzwijgend begrenst tot ‘ons’ land, maar het is een omvattend fenomeen:

Nederland is elke dag virtueel bijeen, voor de buis, tijdens nieuwsuitzendingen en praatprogramma’s maar vooral tijdens het eeuwigdurend amusement. Grote sportevenementen (de wedstrijden van het nationale elftal, EK’s en WK’s, de Olympisch Spelen), herdenkings- en rouwplechtigheden (Koninginnedag, Prinsjesdag, de vierde mei, de begrafenissen van Pim, Claus, André, Bernhard en Theo) verenigen een groot deel van de burgers in een nationale kijkervaring. (..) De Nederlandse natie blijft al met al een precaire aangelegenheid. Als mensen zouden stoppen met deze dagelijkse investeringen, zou zij ophouden te bestaan (Een zwak voor Nederland, p.115)

Consumentisme frustreert een van de historische kenmerken van veel populistische stromingen: het verlangen naar een sterke leider. Heijne doet het hedendaags verlangen naar politiek leiderschap af als schijn, oppervlaktefenomeen. Leiders zijn vooral figuren die anderen eens zouden moeten volgen, degenen die de consumentburger dwarsbomen.

Achter de ogenschijnlijke behoefte aan leiders gaat volgens Heijne een gefrustreerd verlangen naar verbinding schuil. We hebben onszelf in de nesten gewerkt. We aanvaarden geen tegenspraak meer, ook niet door zelfgekozen leiders. We zijn dolgedraaide individualisten, die onszelf de norm van alles verklaren en niet aan realiteitstoetsing doen. Heijne’s hoofdargument: de vele enquêtes naar leiderschap.7

Heijne’s “wij” is hier nogal onbepaald. In een eerdere column beperkt hij zich tot sympathisanten van Pim Fortuyn. De boodschap is eender: zij aanvaarden geen leiderschap en zijn gemankeerd individualist. Fortuyn belichaamt hun gespleten- heid: hij werd verwelkomd als brenger van negatieve vrijheid (vrijheid van bemoeienis door de elite) maar vervolgens blijkt men de ‘gewonnen’ vrijheid graag uit handen te geven, het eigen leven niet ter hand te kunnen nemen, gemakkelijk te vangen consument als men is:

In een massacultuur willen mensen de macht over zichzelf hebben en tegelijkertijd geleid worden. De consument eist de vrijheid op om zich te conformeren. Fortuyn was de leider die het volk de macht terug zou geven én hij was Mozes die zijn volk naar de vrijheid zou leiden. Dat is een onmogelijke spagaat (..). Je vindt hem (..) niet alleen bij de Nieuwe Politiek, maar overal. (Het verloren land, p.182-183)

De goede verstaander herkent de dynamiek van de rancune: slechts beleving van een gevoel van vrijheid in het verzet tegen een vermeende dwingeland, leeg zodra op eigen benen.

Populistische politici bevredigen volgens Heijne (ook) een (late nageboorte van het) irrationele verlangen naar een “zuivere gemeenschap”. Heijne noemt Pim Fortuyn een late schijngestalte van het type “heroïsche buitenstaander” dat deze effecten bewerkstelligt.

Afgezien van het feit dat dit “irrationele” motief, zoals we in het vorige citaat zagen, moet concurreren met het verlangen te willen shoppen (conformistische consument), bevreemdt Heijne’s redenering ook om een andere reden. Op het moment dat hij Fortuyn in zijn betoog introduceert, heeft Heijne al het type “heroïsche buitenstaander” ondermijnd. Nuchterder bekeken vervullen ook heroïsche buitenstaanders volgens Heijne de volgende functie:

“Een groep of samenleving raakt op een gegeven moment altijd opgesloten in zichzelf en heeft een buitenstaander nodig om vernieuwing te bewerkstelligen” (Moeten wij van elkaar houden, p.90).

Ook blijkt de “heroïsche buitenstaander”-rol niet noodzakelijk om de bijzondere verlangens op te wekken welke Fortuyn opwekte:

Afgezien van Pim Fortuyn zijn er niet veel populistische leiders die zichzelf vandaag de dag met Mozes zullen vergelijken. Liever presenteert men zichzelf als de zuivere essentie van de gewone man (..) (p.99).

De “gewone man”, wiens “essentie” stem gegeven wordt door populistische politici (we noemden eerder het voorbeeld van Verdonk), lijkt vooral te willen worden gezien, erkend (“Men wil weer gezien worden”, p.115). Dit verlangen lijkt me minder een verlangen naar nationale dan naar lageropgeleiden-eigenheid.

En die eigenheid blijkt in de praktijk toch weer rancuneus:

Wat Fortuyn heeft losgemaakt, ging juist in alle opzichten aan de politiek voorbij. Hij was de man die alles goed zou maken [fantasiefiguur dus; Age]. (..) Existentiële ongenoegen. (..) Als er niets meer is om in te geloven of naar te streven, is er altijd je eigen woede nog. (..) Een maatschappij zonder ideële samenhang, waarin iedereen voortdurend bang is dat hem de kaas van het brood wordt gegeten. (..)

Wat Fortuyn (..) plotseling deed samenvallen met de tijdgeest, was zijn gedachte dat de Nederlandse samenleving verweesd is. Dat is een notie die iedere politieke realiteit overstijgt, die aan het religieuze raakt. (..) Hij wierp zich op als verlosser, maar in zuiver wereldse termen. Wat hem werkelijk gevaarlijk maakte, (..) was zijn instinctieve talent om in te spelen op de behoefte aan onvrede in naam van de behoefte aan geloof (Het verloren land, p.175-176)

Toch veronderstelt Heijne iets diepers achter de rancune. Dat suggereert het ‘religieuze’ in het voorgaande citaat al maar spreekt Heijne ook openlijk uit:

Uiteindelijk gaat het de meeste mensen ergens anders om. Het is alsof je iemand die zichtbaar in psychische nood verkeert, wilt helpen door hem een pleister aan te bieden (Moeten wij van elkaar houden , p.115)

Maar Heijne blijkt niet in staat deze “wezenlijke behoeftes” (p.97) overtuigend gestalte te geven. Hij voert Sarah Palin op. In haar reallife-soap Sarah Palin’s Alaska zou het neerschieten en slachten van een kariboe, voorbij het ensceneren van “mannelijkheid”, van het “aardse, harde, simpele leven” en van de verongelijkte emotie “Geef ons ons land terug” (p.83-84), dus op het diepteniveau van “wezenlijke behoeften”, beduiden:

Doodschieten is lekker (..). Tussen een mens en zijn natuur stond het softe idealisme van de Verlichting (..). Om onszelf te hervinden moeten we terug naar die natuur waar gedood wordt om te overleven – ach, laten we er eerlijk voor uitkomen, waar je dood om te voelen dat je leeft (o.c., p.128-129).

Ook hier rancune in plaats van “positieve irrationaliteit”, “binding”/herkerstening. Wie doodschieten van een dier nodig heeft om te voelen dat hij leeft, is als de nationalist die zonder vijand geen natiegevoel heeft.

Zie ik luidruchtig overschreeuwen van een ‘angst voor de vrijheid’, om het te zeggen in termen van het gesmade humanisme van na de Tweede Wereldoorlog, spreekt Heijne van “een heftig verlangen (..) naar oerkrachten in een al te geciviliseerde wereld” (idem, p.128). “Al te geciviliseerd”: opnieuw wordt de schuld van eigen onvermogen bij een ander gelegd. Heeft de elite soms de gezonde driften van het volk afgeknepen?

Het is natuurlijk pijnlijk dat Heijne de positief irrationele verlangens die hij veronderstelt bij de burgers en opvoert als zijn toegevoegde waarde in de discussie niet overtuigend over het voetlicht brengen kan. In het geval Fortuyn verwijt hij politiek analisten juist veronachtzaming van deze motieven:

Politieke analisten concentreerden zich liever op de politieke resonans van deze heftige periode – in de taal die ze begrepen. Dat was niet de taal van Wagner en Dostojevski. (o.c, p.95).

Kiezers op Fortuyn waren niet “enkel en alleen” (p.96) uit op politieke hervormingen. Ze streefden vervulling van allerhande verlangens na, naar “regeneratie”, “vernieuwde gemeenschapszin”, “trots” (o.c, p.95,97, 99).

Biedt het “monarchisme” misschien een geschikt model voor de gezochte irrationaliteit?

Geloof in de monarchie is per definitie irrationeel (..). Het vereist een bevlogenheid die de werkelijkheid op een meeslepende manier geweld aandoet. (Het verloren land, 2003, p.36)

Monarchisme legt een “rotsvast verband” tussen een vorst en een natie (volgens Heijne is dit kennelijk onredelijk). Een nationalist doet hetzelfde, met zichzelf (en volks-/landgenoten) op de positie van vorst: “Pogingen om identiteit tot een transcendent begrip te maken, het zelfbeeld van een individu samen te laten vallen met een natie of volk” (Moeten wij van elkaar houden, p.93).

Eerder voerde Heijne voorbeelden op van mensen die een eilandje in de wereld afbakenen en vervolgens oogkleppen opdoen (mijn oordeel). Bijvoorbeeld de blanke Zuid-Afrikaanse zanger Bok van Blerk, die uit de rijke Zuid-Afrikaanse geschiedenis dat stuk selecteert waarin een bedreigde Boeren-minderheid dapper standhoudt tegen een Britse overmacht. Met dat blank Zuid-Afrika verbindt hij zich graag. Niet dat hij de apartheid goedpraat, overigens (Onredelijkheid, 2007, p.57-58). Ook hier laat een groep mensen (Van Blerk en zijn fans) hun zelfbeeld samenvallen met een bevolkingsgroep en een partijdige selectie wapenfeiten.

de “Boeren”-eigenheid van Bok van Blerk

Eigenheid in soorten en maten 
Heijne’s analyse heeft een schaalprobleem. Crux van eigenheid bij Heijne is dat zij exclusief is. Eigenheid (je vereenzelvigen met een groep met bepaalde kenmerken) wordt gedefinieerd in contrast met universalisme. Zo’n wereldomvattende groep wordt onleefbaar en daarom onwaarachtig geacht.

Maar waar begint het lokale? Is een sterke identiteit als “Amsterdammer” goed genoeg of te klein? En wat te vinden van het sentiment als zouden wij deel uitmaken van een exclusieve “Joods-Christelijke cultuur”? Te groot? Monarchie en vereenzelviging met de blanke Zuid-Afrikanen hebben we al  gehad. Is dat dan het aanvaardbare midden? Het komt nogal willekeurig over (zoals het argument om het universalisme te verwerpen niet-valide is. Heijne verwart universele “medemenselijkheid” als ideaal – dat als onhaalbaar kan worden verworpen – met andere gronden voor universalisme).

Dan zijn er nog de onzinassociaties: Kurt Vonnegut muntte de granfalloons, voor mensen die zich verenigen onder een betekenisloos vignet – waartoe Vonnegut overigens ook de ‘natie’ rekende…Heijne voert zelf als voorbeeld een meisje op dat een kuisheidsring wil kunnen dragen. Mij treft het als een wat smal voorbeeld van ‘eigenheid’ maar kennelijk vindt Heijne ook dit qua schaal en inhoud passend (o.c, p. 58).

Eigenheid als quasi-drift
Daarnaast heeft Heijne het over identiteit als een “roes”:

Het begrip identiteit wordt meestal voorgesteld als een doelbewuste verankering, de veilige geborgenheid van het groepsgevoel. Maar misschien vaker nog is het een roes, maar dan een roes die paradoxaal genoeg zijn rechtvaardiging zoekt in een maatschappelijke omwenteling (Het verloren land, p.11-12)

Door te spreken van “rechtvaardiging” maakt Heijne de roes onzuiver (zoals een aangezette dronkenschap). Ook de illustratie bij deze tekstpassage plaatst de roesachtige identiteit-in-gemeenschap in het domein van gekte. Een stel dronken mensen dat een ander mishandelt begaat volgens Heijne zinloos geweld, maar Molukse activisten die een trein laten ontsporen hebben een identiteit:

Van een afstand gezien (..) een mengeling van onmacht en zuivere paranoia, maar je hoeft maar een lid van zo’n paramilitaire splinterorganisatie te zien om te weten dat het hier om oprechte gelovigen gaat. (Het verloren land, p.12)

Hier schiet Heijne zich in de voet. Hoogstens kan hij bedoelen: de Molukse activisten zijn oprecht verblind. Maar Heijne kan niet tegelijk paranoia en oprechtheid vaststellen, behalve wanneer hij de Molukkers psychiatrisch ziek verklaard. Maar dan weten ze niet beter en is een ethische categorie als ‘(on)oprecht’ niet van toepassing.

Als vage psychoanalyticus verdedigt Heijne onbewuste motivering en ‘terugkeer van het verdrongene’ tegenover rationalistische terrorisme-experts, in het geval van de 9/11-kapers. Natuurlijk bezochten Mohammed Atta en collega’s vooraf- gaand aan hun daad casino’s en stripclubs in Las Vegas:

Mensen die zelfmoord willen plegen, gaan júist naar Las Vegas om lol te hebben. (..) Alles wijst erop dat ze [de terroristen] (..) zich fataal aangetrokken voelden tot wat ze het meest haatten.

(..) Sinds wanneer wordt van getourmenteerde terroristen (..) verwacht dat ze er een coherent wereldbeeld op na houden? Als ze niet inconsequent waren, zouden ze helemaal nooit terrorist geworden zijn. Hun haat tegen Amerika en de westerse wereld is (..) de zelfhaat van de verscheurde twijfelaar. (Het verloren land, p.108)

Ook duikt geregeld in Heijne’s betogen een Freudiaans getoonzette “menselijke natuur” op, alsof onomstreden eindpunt van alle pogingen tot verklaring van menselijk gedrag (‘universeel gegeven’ om het pesterig te zeggen, gegeven Heijne’s neiging eigenheid als ‘concreet’, en universalisme als ‘abstract’ voor te stellen). Als voorbeeld de volgende opmerking in een recensie van de film Borat:

Even krassen, even zieken en zuigen, en de ware gevoelens van mensen komen naar boven. Het is hilarisch, die kloof tussen met de mond beleden beschaving en de beestachtige werkelijkheid, maar geen prettig gezicht. (..) Borat is dan ook geen aanklacht tegen verstikkende politieke correctheid, de film laat alleen maar zien dat politieke correctheid een wassen neus is, dat de ware aard van de mens zich niet laat temmen door wat afgedwongen verlichte noties over gelijkheid en verdraagzaamheid. (Harde Liefde (2010), p.121-122)

Freud’s “Wo Es war, soll Ich werden” blijft bij Heijne niet ingelost, als een Tristan-akkoord.

                                                                                                                       .

Heijne’s eigenheid verlangt een of andere emotionele geïnvolveerdheid welke het markeert ten opzichte van een als bloedeloos gedefinieerde ‘universalistische’ Verlichting. Vertaald in termen van nationale eigenheid, zou Heijne zich hier bekennen tot een etnisch-romantische opvatting van de natie. De kritiek van Delwaide op Scheffer (in 1996) is mijns inziens ook van toepassing op Heijne’s gescherm met een driftleven onder eigenheid in het algemeen:

Goedkeurend citeert Scheffer Richard von Weizsäckers bedenkingen tegen de notie van het Verfassungspatriottismus: ‘Dan blijft patriottisme beperkt tot een inzicht en bevat het geen instinctieve gevoelens’. Maar waar zouden die ‘instinctieve’ nationale gevoelens beginnen, en waar zouden ze eindigen? Zou de bereidheid het eigen leven te offeren instinctief zijn wanneer het Vlaanderen betreft, minder instinctief wanneer het België betreft, en anti-instinctief wanneer het Europa betreft? Wat een onzin! Hoeveel instinctgeklets zullen we nog moeten doorstaan? (Het nut van Nederland, 1996, p.261)

Bij nader inzien is deze misvatting gevolg van Heijne’s conceptuele verstriktheid. Door van een zeer beperkte opvatting van ‘verstand’ uit te gaan, zadelt hij zichzelf en de lezer op met een Freudiaans aandoende ‘onredelijkheid’.

Heijne gebruikt ‘irrationeel’ in drie verschillende betekenissen:

  1. niet-verstandelijk (gevoelsmatig, driftmatig). Dit verwijst naar de eerder genoemde “wezenlijke behoeften”. Een behoefte is qualitate qua ‘rationeel’ (zoals de behoefte de lichaamstemperatuur op 37 graden Celsius te houden). Heijne ageert tegen de notie “dat de mens het helemaal alleen afkan, zolang hij maar vertrouwt op zijn verstand” (Onredelijkheid, p.72). Dit is echter een stromanredenering, eenzijdige toeschrijving van “verstand” en “(atomistisch) individualisme” en ontbreken van “emoties” (of een spiritueel gen) aan verlichtingaanhangers/humanisten. Waarna alles wat zo uitgesloten wordt, terugkeert bij de ‘eigenheid’-denkers als “onderdrukte natuur”.
  2. Freudiaanse processen van werkelijkheidsvervalsing om aan een behoefte (in de fantasie) tegemoet te komen. Een dergelijke vervalsing is bij Heijne verondersteld. Freudianen zijn geneigd idealen terug te vertalen naar ‘begrijpelijke’ driftmatige oermotieven. Daarover lees je bij Heijne niets maar het lijkt verondersteld in de vatbaarheid van burgers voor Fortuyn’s messianisme. Dat wordt ingewikkelder bij de opvolger daarvan, de “essentie van de gewone man” uitgevent door populistische politici. Welk ideaal wordt in het volgende citaat uitgedragen: “Alleen nog aan de kant van het plotseling ontstane politieke populisme bloeit het messianisme, zij het onder het mom van anti-idealisme, dus realisme” (Moeten wij van elkaar houden, p.101)? In het vervolg komt Heijne opnieuw met een rancuneuze definitie van nationale eigenheid (“iets wat eens natuurlijk aanwezig was en toen door boze krachten ontvreemd werd”, p.103) en wil opnieuw dat we daarachter een positief verlangen ontwaren, naar binding: “Het politieke establishment wil het populisme hoogstens redelijk tegemoet komen (..) [maar] het is ook een reactie op een ontkerstende wereld” (p.113). Jammer dat het zich steeds in de perverse vorm van rancune manifesteert…
  3. volstrekt willekeurig. Heijne voert Dostojevski’s antiheld uit Aantekeningen uit het ondergrondse op, die het onredelijke om het onredelijke doet, uit louter haat tegen de dwingendheid van het redelijke alternatief:

Voor de ondergrondse man zijn de menselijke beperkingen onverdraaglijk; de gedachte dat twee maal twee vier is en ook altijd vier zal blijven, is een kwelling waar hij zich niet bij neer kan leggen. Waarom zou twee maal twee niet vijf kunnen zijn? (Onredelijkheid, 2007, p.74)

Kenmerk van een serieus te nemen dieptepsychologie is een verruimd begrip van redelijkheid. De ‘redelijkheid’ van ‘natuurlijke’ aanvechtingen wordt erkend. En hoewel men erover kan twisten in welke mate een mens in staat is heer en meester te zijn over zijn of haar aandriften (of ook: leven), doet dat geen afbreuk aan de waarden autonomie en waarachtigheid. Heijne beaamt dat min of meer (kenmerkend met behulp van een containerbegrip): “Verlichting is hoogstens een ideaal tegen beter weten in, een houding” (Onredelijkheid, 2007, p.74).

Hoewel Heijne stemmers op populisten in de driftmatige, irrationele hoek situeert, kunnen ze zeer redelijk en werkelijkheidstoetsend zijn: ze zijn er als de kippen bij om “verlichtings”-gelovigen op hun hypocrisie te wijzen:

Gelijkheid, tolerantie, rechtvaardigheid, solidariteit – keer op keer worden mensen die deze abstracties hoog in het vaandel hebben ontmaskerd als akelig hypocriet, als zogenaamd hoogstaande geesten die er een dubbele moraal op nahouden. (Moeten wij van elkaar houden, 2011, p.97)

Anderzijds worden ze (en anders Heijne wel) daarbij geleid door een – mogelijk irrationele – a priori-overtuiging: universalisme is altijd hypocriet.

Heijne’s vage Freudianisme ligt ook aan de basis van zijn verzet tegen (zijn idee van) “humanisme”, “verlichtingsdenken”:

Individu en ratio aan de ene kant, gemeenschap en gevoel aan de andere: je hoeft niet over een groot inzicht in de menselijke natuur te beschikken om te beseffen dat een mens voortdurend heen en weer geslingerd zal worden tussen die twee uitersten (Moeten wij van elkaar houden, p.109)

Hier klutst Heijne begrippenparen uit twee verschillende kennisdomeinen door elkaar en springt, alsof het niets is, van filosofie (Verlichting en Tegenverlichting) naar psychologie/ethiek (populisten voelen vermeend goed aan dat veel ‘humanisten’ onwaarachtig zijn) – parallel aan zijn stilzwijgend overstappen van ideeën naar aanhangers van ideeën.

Het betreft de paren gevoel/verstand en individu/gemeenschap. Maar derde en vierde paar dat Heijne hiermee vermengt – de media  [en toen bleek WordPress zomaar een aantal pagina’s verwijderd te hebben – wordt aan gewerkt….]

Psychologie van de politicus
In mijn ideaalbeeld volgt de slagvaardigheid van een politicus uit een verinnerlijkte visie (haast een ‘gewoonte’). Je wordt niet door situaties verrast, in elk geval niet verlamd. Ik bepleit niet Realpolitik maar weerbaarheid.

Maar ik zou het niet hoeven bepleiten als hier geen dilemma ligt. Inhoudelijke morele verontwaardiging (“Agnes Kant”) is wat anders dan de boosheid van een gedwarsboomde machtspoliticus.

Trekken we weerbaarheid, standvastigheid, gezag en wijsheid samen, dan zien we (de behoefte aan) een authentiek, goed ontplooid mens (uit een stuk, samen- hang in de veelheid, leven wat men predikt).

Open vraag is hoe we de gememoreerde eerzucht, ijdelheid en het vermogen tot beïnvloeden/manipuleren en dergelijke moeten duiden. Kan eerzucht of een ge- voel van roeping dekmantel zijn van een oorspronkelijker motivering, zoals ‘zich willen bewijzen tegenover de ouders die hem/haar niet zagen staan’? Hoe de passie van de politicus te begrijpen?

Dick Pels, aan wiens boek Het volk bestaat niet (2011) ik het interview met Pechtold en de aangehaalde columns van Van Doorn en Van Middelaar ontleen, komt daarover te spreken in het geval van charisma:

Sommige mensen zijn een kop groter dan andere. Zelfs wanneer ze, zo- als Napoleon Bonaparte, Benito Mussolini, Nicolas Sarkozy, Madonna Ciccione of Kylie Minogue, fysiek niet hoger reiken dan 1.60 m. of daaromtrent, zijn ze zó indrukwekkend en ‘uitstekend’ dat grotere mensen zich in hun nabijheid klein en onderworpen voelen. Het is een cliché om hun drang de hele wereld te willen veroveren te verklaren als een compensatie voor die geringe gestalte. (p.129)

Pels ziet charisma deels als een zichzelf vervullende voorspelling. Helden worden deels door hun aanhangers gemaakt, op het schild gehesen. Aan de andere kant bezitten potentiële leiders, meent Pels, verwijzend naar de socioloog Collins, een “psychologische krachtbron”, “emotionele energie” die ze onderscheidt en pre- disponeert voor hun toekomstige rol:

Persoonlijk gezag wordt inderdaad vaak afgedwongen (..). Echte lei- ders dringen zich op (..). Dat geldt zelfs wanneer zij democratisch worden gekozen. Hoe paradoxaal dit ook klinkt: ook in dit geval is er sprake van een soort zelfselectie en zelfaanstelling; leiders zorgen er- voor dat zij door hun achterban worden gekozen. (p.140)

Hij heeft het over een gevoel van “roeping” dat veel (geboren) leiders kenmerkt en hun wilskracht mede voedt. Andere vereiste kwaliteiten, zoals het vermogen hard te werken, te focussen op het einddoel, anderen te motiveren en voor het eigen karretje te spannen, zijn bijkomstig (p.140, 141).

Serieus ingaan op een eventuele ‘werkelijkheid achter de werkelijkheid’ van machtswil, en de mogelijke gevolgen daarvan voor het optreden van betrokken leiders, doet Pels niet. Hij wijst op de haast onvermijdelijke neiging van politici om hun macht te willen uitbreiden of bestendigen (de verleiding van de olichar- chie) en benoemt “een onderliggende psychologische factor”:

Politieke ambitie is ondenkbaar zonder een flinke dosis eerzucht, ijdelheid en machtswil. (p.86)

Wel haalt hij de partner van Femke Halsema aan, die stelt dat “als de maskers af zijn”, politici meer dan andere mensen willen dat van hen gehouden wordt, “azen op liefde” (p.87).

Noten

1: Het is interessant dat Pechtold mensen hier vooral als consument lijkt te zien en zichzelf als buurman/verkoper. Het verhaal dat hij hier aan hen poogt te verkopen is overigens niet de visie op het land van D66 maar (slechts) het beleid van het Kabinet-Balkenende II.

Pechtold kon als minister de betrouwbaarheid van een buurman ambiëren dankzij het bestaan van televisie: alleen zo komt hij bij honderdduizenden over de vloer.

Dit brengt me bij een andere mogelijke betekenislaag van de ‘wakende vader’-politicus: hij vertegenwoordigt autoriteit op zijn meest nabij: het is de baas die voor je zorgt. Het type past, met andere woorden, beter bij de verzuiling en bij corporatisme. De tweedehandsautoverkoper van Pechtold is toegesneden op de geïndividualiseerde wereld van het liberalisme, waar de samenleving niet als familie maar als samenstel van vrije individuen wordt gezien.

Ook Pechtold als tweedehandsautoverkoper ‘zorgt’ voor je, door je niet te bela- zeren, maar beduidend minder. Het contact is functioneel, een afgegrensde transactie, geen zorgrelatie. Zo bezien is het woord ‘buurman’ verneukeratief. Het suggereert een ‘community’ die er, wat liberalen betreft, niet hoeft te zijn.

Aan ‘wakende vader’-gedrag blijft, gezien de kwetsbaarheid van het bestaan, be- hoefte. Ook George Bush jr. stelde op zijn manier gerust: iedere Amerikaan een eigen huis.

“Starters hoeven geen slecht huis te kopen. Als we ons best doen, kunnen star- ters met een laag inkomen net zo mooi wonen als iedereen” (1.00 min)

2: Hoewel men misschien anders zou denken, boette Verdonk niet in aan geloof- waardigheid doordat ze een burger uitbeeldde die ze zelf niet was. Net zo kunnen Larense tv-presentatoren annex miljonairs geloofwaardig identificatiefiguur zijn van ‘gewone’ televisiekijkende Nederlanders. Dat is een interessant psycholo- gisch verschijnsel.

“Iets anders: voel jij je huisvrouw?”. “Soms wel, eigenlijk” (10.24 min).

3: Of distantie in het ambt tot het verleden gaat behoren, gegeven de personalise- ring van de politiek, is de vraag (ik denk van niet), evenals hoe dit te beoorde- len. Berlusconi is een mooi voorbeeld om uw mening aan te vormen.

4: Men zou dit als ondersteuning voor Pels’ geloof in de visuele en emotionele ge- letterdheid van televisiekijkend Nederland kunnen zien. Verraadt Rutte zichzelf immers niet en hebben wij dit feilloos door?

Ik betwijfel het. Mijn eigen interpretatie volgt op het herbekijken van de clip. De eerste keer dat ik de beelden zag, reageerde ik, zoals de meeste kijkers, vanuit mijn politieke en andersoortige vooringenomenheid, op de manier die ik bezig ben te beschrijven, vooral ontsteld over wat ik niet zag. Zo’n vooringenomenheid heeft iedereen. Als kijker kleur je de beelden in; ze leggen geen dwingende inter- pretatie op.

Een bekend experiment onderstreept het belang van ethos – en de hachelijkheid van je eigen interpretatie/beleving als objectief te ervaren. Ed van Thijn (PvdA) en Hans Wiegel (VVD), destijds fractieleider van hun partij, verkondigden, op verzoek, in afzonderlijk opgenomen interviews, op zeven onderwerpen hetzelfde standpunt. De interviews werden getoond aan VVD- en PvdA-aanhangers. Sterkste meningsverandering vertoonden de proefpersonen die het interview met de poli- ticus van hun voorkeurpartij hadden gezien (Wiegman, 1985).

5: ‘Wie de vorm beheerst, is de inhoud meester’, Frits Bolkestein, Onze Taal, waarschijnlijk eind 1997 of begin 1998. November 1997 gaf Bolkestein een lezing met dezelfde titel op het tweejaarlijks congres van het Genootschap Onze Taal.

6: Heijne parafraseert de socioloog Sennett die Burckhardt aanhaalt, die dezelfde observatie pleegt als Pels: “In Burckhardts eigen tijd volgde op de omwentelingen die de industriële revolutie met zich meebracht, de volks- en vaderlandlyriek van het nationalisme” (Moeten wij van elkaar houden, 2011, p.114).

7: Column ‘Wie heeft er hier de leiding’. Mijn analyse van de argumentatie is te vinden in Bromsnor.

Advertenties

4 comments so far

  1. fwaaldijk on

    Waar vind je nog dergelijke inspirerende analyses? De krant heeft er geen tijd meer voor. Terwijl de vraag `wie laten we besturen’ toch een enorme impact heeft. De rol van media, kiezers en politici zou met grote regelmaat op een manier als hierboven tegen het licht gehouden moeten worden, vind ik.

    Ook andere artikelen op deze blog vind ik bijzonder de moeite waard.

    • Age on

      Dank je wel. En dan te weten dat het artikel nog niet af is. Ik ben gestrand bij ‘Psychologie van de politicus’. Mijn doel is een goede vergelijking van Dick Pels en Bas Heijne.

      Schematisch heeft de eerste weinig oog voor ‘dieptepsychologie’, ‘diepere’ motieven en hun verstorende werking en de laatste vóóral voor dieptepsy- chologie, op een wazige manier, zonder zijn interpretaties te beargumen- teren, zonder uitspraken te doen over de (on)veranderbaarheid van mensen.

      Heijne doet in de verte denken aan mensen die iedere altruïstische daad tot eigenbelang reduceren en zich na zo’n duiding wereldwijs achten. Zijn dubbelheid zit in frases als “Je hoeft geen cultuurpessimist te zijn om”, waarna hij dingen zegt die de cultuurpessimist zegt. Zo ook verdedigt Heijne de verlichting maar het ideaal fungeert vooral als norm om de treurige werkelijkheid tegen af te zetten.

      Over de media gesproken: Pels bepleit o.a. een vorm van media-educatie (in het onderwijs).

      Verder: Pels en Heijne zijn zeer alert op ons leven in een mediacultuur. Ik ben door hen hiervoor gevoeliger geworden.

      Hé, ik zie dat je de Frank Waaldijk bent/lijkt, die eerder op mijn verzoek heeft gereageerd op mijn posting over de Bill Viola-expositie in De Pont!

      • fwaaldijk on

        Ja, dat klopt, ik heb eerder gereageerd. Maar ik lijd ook aan `druk druk druk’, dus komt het er vaak niet van om alles te lezen wat ik zou willen lezen. Ben wel van plan om deze blog iets vaker te bezoeken, want je schrijven getuigt van diepgang en zorgvuldigheid, en dat zijn zeldzame kwaliteiten, die ik waardeer. Mvg, Frank

  2. assyke on

    goed artikel


Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: