Afscheid


Powerpoint-presentatie van de levensgeschiedenis van mijn moeder, tekst gesproken op haar crematie vandaag.

Welkom, dank dat jullie gekomen bent om samen met ons, de kinderen, afscheid te nemen van onze moeder, jullie zus, schoonzus, moeder van je vriendin of vriend, of van je cliënt.

Het komend uur wisselen we gesproken woord af met muziek. Om te beginnen wil ik jullie in tien minuten leiden door het leven van mijn moeder. Ik zou zeggen: luister naar mijn stem en kijk naar het scherm.

Mijn moeder werd geboren in 1930 in Kampen, in de crisisjaren. Ze was het zesde van negen kinderen, het enige meisje.

Ze deed al jong behoorlijk wat huishoudelijke taken.

De Tweede Wereldoorlog brak uit toen ze tien was. In Kampen was een kazerne waar Duitsers gelegerd waren. Er waren soms razzia’s. Het was soms behoorlijk spannend.

Mijn moeder kon goed leren maar ging naar de huishoudschool en daarna werken in de naaifabriek.

Twee vrijers noemde ze later altijd: Jaap, de ‘goede’ man voor haar, die ze zichzelf echter niet gunde. En Jac, de meer zinnelijke liefde.

Op haar 22e of 23e vertrok ze naar Den Haag en ging werken in een rusthuis.

Daar ontmoette ze Thea, haar beste vriendin gedurende die jaren. Tot haar ver- bazing bleken vele medewerksters, waaronder de directrice, lesbisch. Ook Thea was heimelijk verliefd op mijn moeder. Daar kwam ze pas twee decennia later achter, toen Thea, inmiddels gescheiden, contact heropnam.

Via een tante leerde ze haar toekomstige echtgenoot kennen. U ziet ze nu op een uitje van het kantoor van mijn vader, de Bedrijfsvereniging voor het Slagers- en Vleeswarenbedrijf en de Pluimveeslachterijen, “De Samenwerking”. Maar…het kan ook de gereformeerde jongelingsvereniging geweest zijn.

Mijn moeder maakte het uit. Ze zwichtte echter voor een vlammend pleidooi van een zus en enkele broers van mijn vader en maakte het weer aan. Ze raakte zwanger en trouwde in 1955.

Mijn moeder wilde zes kinderen. Het werden er vier. Henk werd geboren in 1956, daarna, na vier jaren rust, kwamen Age, Els en Peter rap achter elkaar…

Later noemde mijn moeder voor zichzelf mijn vader wel “het vijfde kind”.

Mijn moeder genoot erg van de omgang met haar jonge kinderen en kreeg daar veel uit terug.

Iets voorbij het midden van de jaren zestig verloor mijn moeder de hoop dat ze haar echtgenoot kon veranderen.

Op een dag droomde ze dat ze zou gaan trouwen. Haar hart ging open. Toen ontwaakte ze en besefte: ik ben al getrouwd. Ze was enige tijd depressief.

Beste vriendin van mijn moeder was schoonzus Hilde.

In 1971 kwam de wet door de Tweede Kamer die scheiding mogelijk maakte op grond van “duurzame ontwrichting”. Mijn moeder was een van de eersten die een scheiding aanvroeg.

11a11b

De gereformeerde buurt nam mijn moeder de scheiding van mijn vader zeer kwalijk.

Moeder vulde bijstand en alimentatie aan door te gaan werken als schoon- maakster, eerst zwart bij een particulier, daarna legaal op een basisschool. Al met al werkte ze netto voor 2 gulden per uur.

 

De eerste jaren na de scheiding waren moeder en kinderen naar mijn mening een overlevingseenheid. Op de foto ziet u wat mijn moeder zag toen ze in 1975 deze foto maakte. Peter en ik hadden net ruzie op wat het leuke uitje had moeten zijn, Artis.

De kinderen verlieten het ouderlijk huis. Vijfenvijftig jaar oud vond mijn moeder dat ze lang genoeg gewerkt had. Ze vond het onrechtvaardig dat ze voor een hab- bekrats tot haar pensioen zou moeten doorwerken. Op de een of andere manier lukte het haar vrijstelling te krijgen.

Ze wilde eindelijk meer zelf gaan leven. Enkele jaren na de scheiding had ze al Engelse taalcursussen gevolgd maar ze haakte na twee jaar af, onder andere om- dat de andere vrouwen in het Engels over hun vakanties in het buitenland con- verseerden. Zij ging niet op vakantie.

Dat deed ze echter wel in 1987 en 1988, alleengaandenreizen naar Duitsland, Salzburg, Oostenrijk. Ze wilde de bergen weleens zien.

In 1989 overleed Hilde aan kanker. Mijn moeder ging mee op een korte af- scheidsvakantie in de Ardennen.

Mijn moeder pakte na de betaalde arbeid het vrijwilligerswerk op en ging helpen bij de Spelotheek in de buurt.

Daar viel ze enkele jaren later ongelukkig tijdens de verhuizing van de Spelo- theek, in ‘93. Ze beschadigde zenuwen. Een preventieve nekoperatie volgde maar ze bleef het gevoel in haar linker lichaamshelft kwijt en had permanent tintelin- gen in haar rechtervoet, alsof daar in een speldenkussen met naalden werd ge- prikt.

Ze ging lopen met een stok. Toen het traplopen te zwaar werd, verhuisde ze in 2000 naar een aanleunwoning. Ze kreeg een rollator…

Viel. En brak haar pols. Rolstoel en scootmobiel volgden.

Het afnemen van haar mogelijkheden wist mijn moeder, bij elke nieuwe inper- king weer, na protest en rouw te aanvaarden.

Mijn moeder hield haar hele leven erg van de natuur, ook dichtbij huis. Met Henk karde ze jaren, als het maar even kon, in de scootmobiel door het Zuiderpark.

In 2009 kreeg ze een beroerte en brak in de val haar enkel. Ze revalideerde en ging uiteindelijk wonen in Westhoff, door de kinderen uitgekozen omdat het de mooiste groenaanleg had van alle Haagse verpleeghuizen.

Daar heeft ze nog drie mooie jaren gehad, in het begin gehinderd door haar nieu- we gevoeligheid voor insulten. Dat vond ze een enge ervaring.

Ze zat veel buiten in het groen, of voor het raam, luisterde Classic FM, puzzelde tot het niet meer ging, werd voorgelezen of deed mee aan hersengymnastiek, tot ook dat alles niet meer ging.

De kinderen bezochten haar bijna alle dagen van de week. Ze hielpen in toene- mende mate met eten.

Februari dit jaar tuimelde mijn moeder uit een tillift. Daarna is ze nog vooral bedlegerig geweest. In mei en juli is ze opgenomen geweest in het HAGA-zieken- huis, de laatste keer vanwege vochtophoping achter de linkerlong.

De long was vorige week dinsdag alweer vol. Voor we woensdag definitief konden beslissen wat te doen, lag mijn moeder al aan de morfine. Ze had het na het ont- bijt zeer benauwd gekregen.

Geluk bij een ongeluk: dinsdag waren nog zowel haar broer Gerrit en schoonzus Hennie als Peter op bezoek geweest. Moeder was die dag ongewoon lang gecon- centreerd en helder.

Niettemin overleed ze vorige week woensdag tegen tien uur ’s avonds, na niet te zijn ontwaakt uit haar morfineverdoving.

Ze was een lieve, levendige vrouw, een zorgzame alleenstaande moeder, over wier leven een zekere schaduw lag. Wij herdenken en eren haar hier.

Mijn persoonlijk woord gesproken bij de crematieplechtigheid

In 1989 woonden wij, de kinderen, de crematieplechtigheid van tante Hilde bij, de hartsvriendin van mijn moeder. Mijn moeder zelf kon er die dag niet bij zijn. Door een speling van het lot was zij die dag bij de teraardebestelling van haar broer, Gerard, aan wie zij minder goede herinneringen bewaarde. Maar familie gaat voor, vond mijn moeder.

Ik herinner me dat tijdens die plechtigheid een gevoel van absurditeit over me kwam. De pracht en praal verdroegen zich slecht met tante, met wie echtgenoot en dochters tijdens haar leven prozaïsch waren omgegaan. Ik had het gevoel alsof tante in de kist het ook maar een vertoning vond en elk moment het deksel kon openklappen.

Dát gevoel heb ik nu niet, hoewel de bescheiden kring waarin we afscheid van mijn moeder nemen wel een gevoel opdringt van de betrekkelijkheid van ieders individueel bestaan.

Ik wil mijn moeder kort bedanken en het hebben over de schaduw over mijn ver- bondenheid met haar.

Direct na het vernemen van het definitieve overlijden van mijn moeder keek ik naar een foto die sinds twee jaar aan de muur van mijn studeerkamer hangt. Het is de foto die u achter me ziet. Ik maakte een gebaar met mijn vuist op mijn borst: u zit in mijn hart.

Het was een gevoel van verbondenheid en erkentelijkheid.

Geen sieraad met as erin, op de borst gedragen, kan, wat mij betreft, vervangen wat een moeder, in het ideale geval, in een kind plant aan gevoel van ‘er mogen zijn’.

In elk geval deze week leek de opgeslagen liefde van mijn moeder voor mij, na het door de dood afgekapt contact, zich soms om te zetten in een gevoel van me ondersteund weten, iemand achter me, een hand op mijn schouder.

Eén herinnering kan model staan voor hoe het contact met mijn moeder op zijn best was. Ik speel als kleine jongen in de huiskamer, misschien met enkele vriendjes. Ik ben kennelijk wat luidruchtig. Moeder roept uit de keuken: kan de radio wat zachter?

Dat plezier heb ik zelfs in oudere vorm op Westhoff nog gehad, bij het voorlezen van mijn moeder. Mijn moeder kon heel levendig reageren op verhalen. Ze flapte dan soms een plotwending eruit die ze voelde aankomen of knoopte aan met her- inneringen of opmerkingen.

Voor haar liefde en de opofferingen die ze zich ook voor mij getroost heeft, dank ik mijn moeder.

Ik had haar wat minder opoffering en meer eigen leven gegund.

Nu wil ik het over mijn schaduw hebben.

Ik was als kleine jongen niet alleen erg aanhankelijk maar ook erg afhankelijk. Tot aan mijn veertiende had ik het zeer nodig dat tussen mij en mijn moeder, zoals ik het noemde, “alles goed was”. Ruzie was bedreigend. Er moest bijgelegd – waartoe het initiatief van moeder uitging – wat gepaard ging met een opluch- tend huilen van mijn kant én de verzoenende omhelzing “die alles weer goed maakte”.

De scheiding van mijn ouders viel samen met mijn puberteit. Aan de kinderlijke afhankelijkheid moest sowieso een eind komen. En misschien werden met het rijpend verstand de conflicten pittiger. En misschien waren ze nodig om een ge- voel van zelfstandigheid te helpen tot stand te brengen. En misschien was mijn moeder niet goed in ruzie maken en soms labiel onder de zware belasting. Ze was zeker goed in vergeven. Ik minder.

In de laatste jaren in het verpleeghuis heeft mijn moeder, bij een of twee gele- genheden, dingen gezegd in de trant van: “Weet, alles is vergeven”. Ik beaamde dat wederkerig. Maar ik ben bang dat mijn moeder die reserve, die schaduw bij me toen nog steeds gevoeld heeft.

Op het eind, toen het voorlezen niet meer ging, stapte ik over op het soms voorlezen van een enkel gedicht. Die konden toen ook al niet al te moeilijk meer zijn.

Eén keer las ik een gedicht van Elsschot voor, uit een bloemlezing. Het ging mij erom dat het over moeders ging.

In het gedicht betreurt een zoon dat hij zijn moeder bij leven niet meer waar- deerde. Het slot luidt:

“Gij die later wordt geboren,
wilt naar wijze woorden horen:
Pakt die beide handen beet,
dient het wijf dat moeder heet”.

Ik vond het gedicht wat sentimenteel en las het slot met licht ironisch pathos. Maar tot mijn verrassing schoot mijn moeder vol.

Moeder, het spijt me dat ik, bij tijd van uw leven, niet over resten wrokkigheid heen heb kunnen stappen. Niet de schaduw voor de zon van mijn liefde voor u heb kunnen wegnemen.

[Opmerking: ik kon het woord ‘Moeder” niet uitspreken, dat zou teveel emotie oproepen. Ook weet ik dan niet tegen wie ik me richt – ik geloof niet dat de geest van mijn moeder ergens ‘is’. Op papier / als tekst kan het wel. Ik zei “En daarom wil ik zeggen dat het me spijt dat ik, bij tijd van haar leven”… “Zon van mijn liefde” zei ik vlak, alsof vertaling van “de liefde die ik wel degelijk ook voor haar voelde”. Opnieuw het verschil tussen tekst en uitlating in het openbaar. Het voelde te aangezet, hoezeer ik ook van mijn moeder gehouden heb]

Ik weet dat mijn moeder achter mijn onvermogen mijn liefde wel heeft gevoeld. Dat heeft ze namelijk gezegd.

Dit wilde ik nog even kwijt.

[Daarna klonk het door mij gekozen nummer:]

                                                                                                                .

PS 8 augustus: enkele voorbijgaande sensaties en inbeeldingen die ik afgelopen week heb gehad, lijken me niet de moeite van het vermelden waard. Geloof je, zoals ik, niet in geesten die blijven rondwaren, zijn ze een vorm van autothera- pie. Je laat het toe want kennelijk komt dit uit je voort.

Maar het vermelden waard vind ik de rare neiging gisteren mijn moeder te willen troosten. Mijn moeder heeft ooit gezegd dat, mocht er leven na de dood zijn, ze aan mijn voeteneind zou verschijnen. Ze zei het half grappend, half gemeend. Ze verscheen niet. Ik was, ook die eerste nacht, al niet ontvankelijk, wat zou ik er- mee aan moeten.

Ik had gisteren het gevoel dat mijn moeder, als een kleine vrouw (meisje, ver- drietige vrouw), troost bij mij zocht, verdrietig omdat er na de dood niets bleek te zijn, om de hoop die ze erin geïnvesteerd had, om het niet méér uit haar enige leven op aarde gehaald te hebben, zeker met de kennis van nu. Autotherapie/ zelfbedrog/ijdelheid is dan tegen die moeder zeggen: je bent altijd welkom.

Advertenties

2 comments so far

  1. Age on

    Dank je wel!

  2. Rob Alberts on

    Een openhartig verhaal.
    Meelevende en opbeurende groet


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: