Kunst-varia


28 april bezocht ik het heropende Stedelijk Museum Amsterdam. Ik ben nooit een fan van het Stedelijk geweest (het Rijksmuseum was dit keer het doel maar de rijen te lang). Het gebouw en de ruimten vind ik al niet fraai en verder is het mijn aversie tegen Judd’s en aanverwanten.

De twee uur van mijn verblijf bekeek ik vooral de chronologisch-thematisch ge- ordende vaste collectie, het oudste gedeelte. Het paard (1914) van Raymond Duchamp-Villon sprong er dit keer voor mij uit.

Hoewel het bepaalde canoniek geworden kenmerken van het paard uitlicht (maar ik begrijp dat sommige lezers zich zullen afvragen: hoe komt hij hier op? In dat geval: laten we het erop houden dat het werk de volgende associaties bij mij wekte) – de vermoeide paardenkop op punt van bezwijken, in combinatie met de strak getrokken spierkabel van de hals uitdrukking gevend aan een waardig sne- ven – had ik bewondering voor hoe Duchamp-Villon ‘uit het niets’ (nu ja, de in- vloed van futurisme en kubisme is onmiskenbaar) de kracht van schoepbladen en turbines inmengt, terwijl je aan de andere kant de opgehangen hompen vlees van de slager herkent. Het werk is zowel lyrisch, esthetisch/organisch als zakelijk.



Het glaskabinet belemmerde fotografie 

het canonieke paard

canonieke snever

In 2010 in Londen trok Duchamp-Villon, om dezelfde reden, al mijn aandacht, met een wat lyrischer (of misschien zeg ik dat al snel zodra de vormen ronder blijven) werk.

Nu ik de draad van dit blog toch oppak: eind december 2012 bezocht ik De Pont, voor de Kapoor-expositie.

Ik vond hem te decoratief. In het Nieuwsuur-item aan hem gewijd (ik heb het zojuist voor het eerst bekeken) zegt Kapoor (na 3 min.) dat veel tentoonge- stelde werken “ruimte als een illusoire werkelijkheid behandelen”. Hij zal doe- len op de spiegel- en pigmentwerken. Eerder beoordeelde ik kunst die vooral technisch met materialen omgaat negatief. Kapoor’s materiaalonderzoek wordt me te leeg aanspreken van de zintuigen.

Soms maakt Kapoor effectief gebruik van wat doet denken aan ‘voorstellingen in ons collectief onbewuste’ – de kleur rood, de aantrekkingskracht van holten, een bocht waarachter iets zich verbergt – maar dat kan ik ook noemen: ‘effectief ge- bruik van gemeenplaatsen’. De sociale wetenschap van ‘kanon heeft penisassoci- aties’ of Jungiaanse referenties naar mannelijk en vrouwelijk is behoorlijk bele- gen en daarmee ook de ‘gevolgen’ van het appelleren aan zulke verbanden.

Ook Kapoor’s verfschiet-object (Shooting into the corner) wordt binnen de kortste keren attractie. Knallen en drek – menstruatiebloed, zeggen de vrouwen.

Ook ‘gelezen’ als associatieloos voorbeeld van de verbondenheid van tijd en ma- terie – de vlekken op de muur, de resten op de grond, de gestolde tijd – blijft het mij te ‘natuurkundig’.

Boeiend vond ik nog wel Kapoor’s experimenten met een 3D-printer, hoewel het vooral mijn verstand, in een technische zin, prikkelde en ook pas na het lezen van de tekstborden.


Na het nogmaals bekijken van het Nieuwsuur-item kan ik mijzelf enigszins tegen- spreken. Kapoor brengt impliciet twee argumenten in tegen mijn behoefte aan in- houd, het tweede mijns inziens sterker dan het eerste:

  1. “Als ik als kunstenaar veel te melden had, zou ik in de weg zitten” (4.25 min). Dat kan waar zijn, maar geloven dat de dingen vanzelf spreken is even onjuist (en niet wat Kapoor feitelijk doet).
  2. Even later spiegelt Kapoor zich aan de ‘wetenschapper’. Daarmee beaamt hij met de materialen in gesprek te gaan, zoals natuurkundigen via het experi- ment de natuur ‘een antwoord afdwingen’. Maar in dat gesprek zijn ‘more- le’, op de existentie betrokken vraagstellingen inherent onmogelijk. Feite- lijk laat Kapoor geregeld minder ‘de materie spreken’ dan dat hij morrelt aan culturele sjablonen, soms belegen (mannelijk/vrouwelijk), soms aan- schouwelijke metafysica (wat is ruimte, vorm, substantie).
  3. Maar Kapoor heeft een zeker gelijk in zijn opmerkingen over “anxious ob- jects”, van waarnemen als altijd ook overmeesteren willen. Mijn negatieve reacties zijn mogelijk deels te duiden als angst voor zinloosheid – maar ook als ergernis over een zich slap verhouden tot zinloosheid. “Onze blik is altijd vol verlangen of haat” zegt Kapoor (5 min). Ik zou zeggen: onze blik is soms nieuwsgierig, nieuwsgierigheid die omslaat in ergernis wanneer onbevre- digd. Kapoor kan zeggen: ‘Jij wilt een antwoord op vragen die ik niet stel en bent niet nieuwsgierig naar de vragen die ik wel opwerp’. Ik kan misschien tegenwerpen: ‘Verwordt beeldend werk tot illustratie van filosofie of aan- schouwelijk filosoferen, geef ik de voorkeur aan filosofie. Ook kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat je steeds meer spektakelkunstenaar wordt. Tot slot vermindert het consequent ontbreken van maatschappelijke of morele vraagstellingen in je werk langzamerhand mijn belangstelling’.


Tot slot bezocht ik deze maand de tentoonstelling van moderne Russische beeld- houwkunst in Museum Beelden aan Zee. Om het kort te houden: sommige Russen houden van direct communiceren en een dictatuur heeft ook zijn voordelen: het houd je af van het lastiger probleem wat te doen met je vrijheid, zodra ongehinderd door je overheid.

Deze expositie gaf me helemaal het idee dat iedereen met dezelfde foto’s thuis zou komen, foto’s die ook in de PR al worden gebruikt.

[Een week later bekeek ik de beelden aan het Lange Voorhout. Geval apart: Tse- reteli, Poetin’s favoriete kunstenaar en enkele decennia Moskou verrijkend met zijn beelden. Ik beken dat dat ‘veilig onder moeder’s rok’-sfeertje, van Swiebertje, burgemeester en Bromsnor aan de keukentafel verwend door Saartje, ook ergens in mij leeft, vergezeld van latere bescheiden overwinningen daarop. Zoiets is misschien te tolereren als terugval in situaties van grote psychische nood maar daar is hiervan geen sprake. Hier is het in slaap willen sussen.

Tegelijk: kun je dat aan het beeld afzien? Je hebt zoveel van dit soort direct aan- sprekende kunstwerken: Barry Flanagan’s haas of, dichter bij huis, de sprookjes- beelden van Otterness voor Museum Beelden aan Zee.

Tinguely op zijn lichtvoetigst

Toch is er verschil:

  • Flanagan’s haas is zelfbewust en eerder uitdagend (pak me dan, als je kan) dan behagend. Als hij al met je samenzweert, dan in samen anarchis- tisch zijn.
  • Tinguely’s apparaten hebben, ook op hun lichtvoetigst, een zekere dreiging – die van een machine met een eigen, onverstoorbare wil. En ook hun speels- heid is, net zoals (maar in veel mindere mate) die van de esthetischer Ot- terness in Scheveningen, anarchistisch.

Tsereteli daarentegen richt zich tot volwassenen en zijn beelden roepen de ge- droomde harmonieuze hiërarchie op van de corporatistische staat.

Bij Tsereteli is Bromsnor vervangen door een ambtenaar lager in rang, een vriendelijke postbesteller, afgebeeld tijdens zijn opschrikken van het dorpsleven. De aanwezigheid van Tsereteli lijkt me een compromis. Misschien ontbreekt hij niet toevallig in de meest culturele expositieruimte, het Museum Beelden aan Zee.

De tentoonstelling wekte dezelfde vragen als Mr Collins in Tate Modern. Bij wijze van non-verbaal antwoord hieronder een foto van het werk dat me, zonder veel reflectie, het meest aansprak.

In een aparte zaal was een kleine tentoonstelling gewijd aan het werk van Oscar Jespers, tijdgenoot van Van Ostaijen. Geboorte vond ik geslaagd.

Advertenties

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: