Rustiek


Parijs, 27 augustus – Auteuil

Auteuil

Vandaag ben ik enigszins doorgeslagen, alsof ‘documentairefotograaf’ in plaats van man op vakantie. Het thema van de dag, architectuur, droeg daaraan bij (daarvan maakt men gauw documenterende foto’s): Guimard bouwde enkele Art Nouveau-woningen in Auteuil en ook Le Corbusier is er actief geweest. Maar medeoorzaak was mijn gebrek aan frisheid na de intensieve eerste dagen. Dat vermindert je kritische vermogen.

Bij gebrek daaraan verwordt fotograferen al snel tot ‘Baat het niet, dan schaadt het niet’, ‘Thuis eens goed bekijken, misschien zie ik iets moois over het hoofd’. Voorbeeld is mijn fotograferen van de Vietnamese ambassade (“een geslaagde combinatie van westerse architectuur uit rond 1975 en traditionele Vietnamese elementen zoals een pagodedak en aardewerken tegels”, aldus de gids).

“Keurig verzorgde 16e en 17e arrondissement”, “vooral woonwijken met weinig bezienswaardigheden”, “lommerrijk”, “heel prettig om doorheen te slenteren”, had dezelfde gids verwachtingen gewekt. Een aan Parijs vastgegroeid dorpje dat zijn landelijk karakter behouden had, concludeerde ik.

Rustiek-2

Maar als ‘dorps’ trof Auteuil me niet. De Boulevard Exelmans is een drukke rondweg. En op de hoek van de detailkaart zag ik de Eiffeltoren oprijzen – hoezo afgelegen. Aan het eind van de middag ben ik via Passy naar Trocadéro gelopen.

Auteuil was ook het dorp waar de gebroeders de Goncourt zich terugtrokken in de tijd, in hun villa, las ik in een boek over Art Nouveau in Frankrijk. Maar geen bord ter plaatse verwees naar de villa, die kennelijk geen museum geworden was, en ik deed geen moeite er achter te komen waar hij lag. Inmiddels weet ik dat de Académie Goncourt er ingetrokken is.

Ik fotografeerde ook onderstaand huis van een andere vroeg twintigste-eeuwse architect. Bijzonder mooi vond ik het niet maar het paste wel bij een vraag van mijn bezoek: waarom zonder ik Art Nouveau uit als(of) bijzonder?

Mijn moreel werd niet bevorderd toen het eerste Guimardhuis in Auteuil achter een hoge muur verborgen lag. Slechts wat tegels waren door het groen te zien. Zo stond het weliswaar in de gids vermeld, maar daar klonk het nog verleidelijk: “Het huis wordt grotendeels aan het oog onttrokken door een hoge schutting en wisteria, maar je kunt een deel van het siertegelwerk onder de dakgoot zien”.

Deze vakantie heeft me geleerd dat mijn voorliefde voor Art Nouveau beperkt is tot wat ooit de aan- leiding tot mijn op- vlammend enthousi- asme vormde: de glaskunst van Gallé en de Daumbroers, som- mige organische, ge- bogen lijnelementen in architectuur en een zekere plezierige vorm van theatrali- teit.

Het eerste vrijstaande huis van Guimard imponeerde me niet bijzonder. Ik herinner me schaftende werklui op een bankje voor het huis.

En de vrouw met de volgelopen onderbenen. Eerst durfde ik haar niet steels te fotograferen. Daarna stond ze lange tijd met een bekende te praten. Op de terugweg van het Guimardpand trof ik haar onverwacht weer en nu drukte ik af.

Ik duid dit als een halfbewuste tegenstem bij mijn toeristenhabitus, waarvoor het taaltje van de gids als maatgevend kan dienen: steevast wordt je een ‘ervaring’ beloofd, met een focus op esthetische, culturele genietingen, opgelegd en met een vreemd element van ‘niet de dagelijkse wereld’.



De automatische intelligentie van mijn camera werkte deze dag minder goed. Of het moet komen doordat ik veel tegen gevels omhoog met tegenlicht fotografeerde op een zonnige dag rond het middaguur.

Sinds ik voor het eerst werk van Le Corbusier bekeek, in Genève, associeer ik het met betonrot en lullige luifeltjes. Auteuil weerlegde dit niet – hoewel de op de foto’s getoonde betonrot en flatluifel waarschijnlijk niet van gebouwen van Le Corbusier zijn. De foto’s zijn genomen in de Rue Mallet-Stevens, een straat gebouwd in 1927 in kubistische stijl, en in de Rue du docteur Blanché, haaks daarop.

Tegen tweeën nam ik pauze, at mijn butget besparende Evergreen’s op een bankje niet ver van Museum Marmottan en overwoog of ik het museum nog wel in wilde gaan. Het was warm en ook deze dag was ik weer geestelijk en lichamelijk doorlopend actief. Ik ging. Ter plaatse nam ik een hoognodige toiletstop. Het voelde ongepast en dat zegt iets over hoe ik kunst / musea beleef.

Fotograferen was in dit museum was verboden. Ook zoiets vreemds: van dagen zonder foto’s vervaagt de herinnering eerder.

Caillebotte ken ik sinds kort als ‘herontdekt’. Het Haags Gemeentemuseum wijdde dit jaar een expositie aan hem, die ik niet heb bezocht. Wellicht beïnvloedde die voorkennis mij maar niet beslissend. Berthe Morisot, in mijn reisgids opgevoerd als nevenattractie, naast Monet, deed me bijvoorbeeld niets. Ik vond de Caillebotte hieronder aantrekkelijke kanten hebben, vooral de weergave van licht op nat wegdek.

Ik ben geen liefhebber van het impressionisme. ‘Impression Soleil levant’ heeft status als werk dat geweigerd werd voor de salon van 1874 en het impressionisme zijn naam gaf. Van de tentoongestelde werken keek ik er, mede om deze historische reden, met redelijk plezier naar. Ik blijf van mening dat rechts nogal abrupt het oranje en blauw uit de verf verdwijnt en grijs de grondtoon wordt (op de afbeelding springt het minder in het oog). Perspectivisch kloppen de bootjes en het water (in streepjeslengte) op de voorgrond mijns inziens niet. Verder wordt het bedrijvige van de haven, de schoorstenen in de verte, atmosferisch ‘ondergeneveld’, alsof de fabrieksrook ook ‘natuur’ is. Op mij heeft het een effect van ontkennen van zowel bedrijvigheid als vervuiling. Alsof er voor Monet geen verschil is tussen dit tafereel en een dauwbedroppelde weide.

Ook het schilderij van het pas geopende Gare Saint Lazare lijdt mijns inziens iets onder het laatste, maar het tafereel komt stadser over, vanwege de spoorbrug en de horizon van huizengevels, stadser dan een ander getoond werk van Monet met een spoorstation. En ik kan van dit werk de gedurfdheid wel inzien, al weet ik niet wat Monet’s eigen verhaal erbij is.

De brede waterlelies in de Orangerie heb ik niet bekeken maar er hing één redelijk brede in Museum Marmottan en behoorlijk wat andere. Onderstaande beviel me het meest, vanwege de illusie van sublieme duizeling, onder aan het doek. Wel zijn voor mij deze lila’s en verwante kleuren bedorven als vaste signaalkleuren voor boudoir, badzeep en andere vrouwenproducten.

Terwijl ik in Passy bereidwillig een verklaard gezellige straat in me opnam (“een aangename mix van ongekunsteldheid en rijke chic die je een idee geeft van de oude sfeer in Passy”) verscheen een Afrikaanse bedelaar in mijn vizier. Zich van mijn activiteit bewust, schermde hij zijn gezicht af.

Mijn vaste eerste associatie bij Trocadéro is de Wereldtentoonstelling van 1937. Luidde die van 1900 de doorbraak van Art Nouveau in, met een paviljoen van Bing en een van Loie Fuller, bij die van 1937 zie ik de gespannen sfeer vlak voor de Tweede Wereldoorlog verbeeld in de paviljoens van de USSR en Nazi-Duitsland (ontworpen door Speer), uitdagend/dreigend tegenover elkaar.

.
Bij mij werkt Fuller nu op de lachspieren maar hoe zij werd vereeuwigd door Art Nouveau-artiesten, al was het als gebruiksvoorwerp, spreekt ze me nog wel aan, een en al werveling.

Op de videoclip zie ik dat beide paviljoens dichter bij de Eiffeltoren stonden dan ik vandaag meende. Ik situeerde ze vlakbij het Palais de Chaillot, dat zelf ook in een jaren dertig-, licht fascistische, bijna Art Deco-stijl gebouwd is.

Advertenties

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: